Boekrecensie: Alleen met de goden

Wat tragisch en hoopvol tegelijk is: dat het schrijven van zijn nieuwe roman zoveel van Alex Boogers vroeg dat hij tot twee keer toe in het ziekenhuis belandde, en dat de kranten nu hoogstwaarschijnlijk zullen koppen: ‘Boogers in optima forma’.

Bij de boekpresentatie van Alleen met de goden leek de schrijver zich niet minder ongemakkelijk te voelen dan de stille, verlegen lezers in de zaal. Naast de verlegenheid delen de schrijver en zijn lezers ook de strijdvaardigheid. Liefhebbers van Boogers lijken het een voor een als hun persoonlijke missie te beschouwen deze schrijver aan de man te brengen. De barricaden op, naar een publiek dat niet groot genoeg kan zijn. Dit is het betoog van een van hen.

Stemmen
Alleen met de goden beschrijft zo’n 15 jaar uit het jonge leven van Aaron Bachman. Hij groeit op in een flat in een ‘naamloos gat’ nabij Rotterdam, met een moeder die altijd boos is en om de haverklap roept dat hij voor het ongeluk is geboren. Ook zijn vader, ‘papa Leeuw’, hanteert geen zachtzinnige opvoedmethode: “Er is niemand met je bezig. Niemand bekommert zich om je, niemand geeft om je. Je moet het helemaal alleen doen. Ik weet dat het een kloteboodschap is, maar wen er maar aan.”

Geduldiger dan ooit en tegelijkertijd in moordend tempo beschrijft Boogers hoe juist de woorden van je ouders onder je huid kruipen, in je gedachten doorklinken alsof het je eigen stem is. Die in het geval van Aaron Bachman zegt dat je niets waard bent, voor een dubbeltje geboren, een tumor die in je moeders buik groeide. De achterstand, de inhaalslag die Aaron daardoor moet maken, maar die hem tegelijkertijd kracht geeft en op een wrange manier: voorsprong.

Tegenstemmen
Er zijn ook andere stemmen: er is een leraar die in Aaron een kunstenaar ziet, een trainer die van Aaron een kickbokskampioen maakt en uiteindelijk is er zelfs een meisje dat door alle gehardheid heen kan kijken. Toegeven aan de drang om te schrijven – die hem al zijn hele leven kwelt – blijkt voor Aaron een grotere opgave dan de ring in te stappen en klappen te incasseren, het woord ‘au’ komt niet voor in dit boek. Het woord pijn vermoedelijk ook niet. Maar de worsteling, de strijd die opgroeien voor Aaron is, staat op elke bladzijde.

Prachtig voorbeeld ook van wat een roman kan: het beeld dat een onwetend VWO-meisje van de wondere wereld van het kickboksen heeft (kortgezegd: wat een idioten) doen kantelen. Tot met ingehouden adem bladzijden vol ‘ringgedachten’ lezen, met ontzag voor de schoonheid van het naakte gevecht en de duizend verschillende redenen die twee mensen daar tegenover elkaar kunnen doen belanden – hoe tegenstanders die redenen in elkaar herkennen.

Nog één ronde
In Alleen met de goden komt de bekende thematiek van Boogers, voor wat om de nietsontziendheid van deze roman de laatste keer lijkt, in alle hevigheid terug. Als een naschok die eenmaal weer uit de kelders gekropen tot de hoofdschok wordt benoemd. Woede, vechten, zoeken, onzekerheid, gekweldheid, minderwaardigheid. Een toegift waar alles in zit, het meest pure en kwetsbare lied.

Boogers die niet ‘die schrijvende vechter’ wil zijn, maar bij wie het vechten en het schrijven onlosmakelijk verstrengeld zijn. Alleen met de goden is als Boogers’ laatste ronde in de ring. “Je hebt nog één ronde! Nog één ronde. Je kunt hier niet op punten winnen, Aaron!” En dat doet hij niet, dat zou nu eenmaal niet bij hem passen. Hij wint met een knock-out.

(Lees hier m’n stukje over de boekpresentatie van Alleen met de goden.)