Boekrecensie: Wanneer de mieren schreeuwen

Wie het oeuvre van Alex Boogers kent, weet dat zijn werk altijd evenveel urgentie heeft. Ook zijn nieuwe novelle Wanneer de mieren schreeuwen sleurt de lezer mee tot aan een bitter einde.

Wie het oeuvre van Boogers niet kent, doet er overigens goed aan er zo snel mogelijk aan te beginnen. En tevens: bij het begin te beginnen. Het is een oeuvre dat zich het liefst van voor naar achter laat lezen. Alle dingen zijn schitterend is nog schitterender als je eerst Het boek Estee en Het waanzinnige van sneeuw hebt gelezen. De romans over de grillige Remy van Sand en het gezin waarin hij opgroeit behoren tot de meest memorabele Nederlandse fictie die ik heb gelezen. Het is vrijwel onmogelijk niet aan Remy gehecht te raken, hoe dwars hij zich ook opstelt. Tot zover mijn pleidooi voor Boogers. Of eigenlijk nog niet, ik begin er pas aan.

Het lijkt erop dat hij allereerst de nodige persoonlijke romans moest schrijven, voordat er ruimte ontstond voor andermans verhalen. Het korte verhaal Ziel, dat in 2010 verscheen, werd al voorzien van het predicaat ‘gebaseerd op een ware gebeurtenis’. Zijn nieuwe novelle Wanneer de mieren schreeuwen heeft hetzelfde uitgangspunt. Het gaat om een bekend verhaal: de 13-jarige Sedar Socrates Soares werd op 1 februari 2003 doodgeschoten toen hij sneeuwballen gooide met zijn vrienden. Boogers krijgt de contouren van het verhaal aangereikt en vult het met zijn eigen, dwingende ritme in.

Gabriel
In het eerste hoofdstuk van Wanneer de mieren schreeuwen zit de schrijver in de taxi van Gabriel, de verteller van het verhaal over zijn neefje Socrates. Boogers schrijft: ‘We leken twee mensen die elkaar niks te vertellen hadden.’ En hoewel Gabriel wantrouwend is en ervan overtuigd dat niemand echt wil luisteren, begint hij toch aan zijn verhaal. Haperend en niet in chronologische volgorde, maar indrukwekkend voor zijn bijrijder: ‘Eerlijk gezegd twijfel ik aan verhalen waarbij alles op z’n plaats valt, en er nooit iets onopgelost blijft. Alsof je op bezoek gaat bij mensen bij wie zelden iets verkeerd staat in huis.’

Zo kent dit boek twee lagen. Eerst was er de familie van Socrates die het verhaal aan de schrijver vertelde, een verhaal dat hem raakte en dat hij op de een of andere manier wilde doorvertellen. Dan is er het verhaal van Boogers, het boek Wanneer de mieren schreeuwen dat bedoeld is om de lezer te bereiken. Echt te bereiken, zoals het verhaal van Gabriel de schrijver heeft geraakt: ‘Ergens ligt er altijd een verhaal op je te wachten dat je niet zozeer wilt horen, maar dat je nodig hebt, op de een of andere manier. Het geeft je iets.’

Socrates
Het verhaal dat wordt doorgegeven aan de lezer, gaat over de jonge voetballer Socrates ‘met het mooie haar van Rijkaard, de slungeligheid van Kanu, en de wimpers van Beyoncé’. De aanwijzingen van zijn voetbaltrainer beschouwt hij als wetten, en hij gebruikt elke vrije minuut om met zijn vrienden een balletje te trappen. Zijn moeder is altijd bezorgd, bang voor het ‘tuig’ uit de buurt en de reële gevaren des levens. Maar Socrates is een puber, eentje die de wereld wil verkennen en wil bewegen, en geen arts wil worden zoals zijn moeder graag zou zien.

Een doodnormale jongen dus, een verhaal zoals zovelen. Maar hoe meer Boogers naar het einde toe werkt, hoe harder het verhaal gaat rollen. Het slingert naar een einde dat je zou willen voorkomen, waarbij je aan het stuur zou willen trekken. De details en de toevalligheden maken de laatste hoofdstukken pijnlijk: dat de bus net gemist wordt, dat zijn oom net niet mee gaat, dat het buiten net niet guur genoeg is. Tegelijkertijd lijkt Boogers erop aan te sturen dat het kwaad onontkoombaar is, dat de dood van de jongen in deze maatschappij meer is dan domme pech. De spanning tussen enerzijds de toevalligheden en anderzijds de angst die in het hele boek al de ondertoon is, maakt dat het verhaal zo’n impact heeft.

Evenwicht
In al zijn boeken balanceert Boogers op de grens van het sentimentele, maar dat is nu juist wat zijn werk zoveel urgentie geeft. In Wanneer de mieren schreeuwen lijkt het voor het eerst meer moeite te kosten om het evenwicht te bewaren, om de juiste toon te vinden. Het verhaal moet recht doen aan de oneerlijke dood van een talentvol voetballertje en aan zijn openhartige familie die het boek mogelijk heeft gemaakt. Deze belangen en de functie van doorgeefluik zitten echter de scherpte in de weg die Boogers in eerder werk wel durfde op te zoeken. Soms wordt het nu te soft, bijvoorbeeld bij de voortdurende herhaling van de zware woorden ‘de winter die alles veranderde’ of te zoet, bijvoorbeeld in de beschrijvingen van Gabriel en zijn gezin.

Maar hoe verder het verhaal vordert, hoe dwingender de toon van Boogers wordt. In het begin is het nog wat zoeken naar de vorm, van het verhaal in het verhaal. Maar als Socrates eenmaal tot leven komt, raakt Boogers in topvorm. Hij is erin geslaagd om van het nieuwsfeit meer te maken dan een verschrikkelijke gebeurtenis op tv. Meer dan een verhaal dat weliswaar dramatisch is, maar dat op afstand blijft zolang je zelf veilig binnen zit. Boogers trekt de lezer aan zijn kraag, en laat pas los als er iets tot hem doorgedrongen is.