Allereerst ooit

 

1.
Soms, als je lang moet zoeken voor je op de goede route raakt, zoveel langer dan andere mensen – lijkt het – alsof dat waar je naar zoekt, misschien niet bestaat. Je voelt hoe de twijfel in je missie sluipt. Hoe je nog net niet bereid bent concessies te doen (of wist je maar hoe) en je zwerft in restjes verzet. Nog even vast willen houden aan dat wat je denkt dat je hart is, ook als het lijkt te wringen met dat wat je denkt dat het leven is.

Zo was het – voordat jij – voor mij. En precies op dat wankele moment, vlak voor het zwichten en net na het zeer, toen kwamen wij. En toen hoefde er opeens geen enkele concessie meer.

2.
En we zouden op vakantie, men wenste ons mooi weer. Lief, maar voor zover ik kon inschatten was voor deze vakantie de waarde van het weer zeer gering. Bij storm en regen bleven we gewoon in bed. Had ik wat vaker thee gezet. Negen dagen onafgebroken dichtbij – dat was waar het om ging.

3.
De eerste avond en het eerste bier. De kneuterigheid van een camper. Lezen, praten, wachten tot de kip gaar is en al voordat je geproefd hebt weten: naar deze avond ga ik nog vaak met aan ondraaglijkheid grenzende intensiteit terugverlangen.

4.
Op de tweede dag verhuizen we van dorp. De praatgrage boer zwaait ons gedag. Vlak voor ik de camper start, kussen we in de cabine. Opeens gaat de deur open. De grote, vriendelijke boer. ‘Als jullie ooit gaan trouwen, mogen jullie gratis bij mij kamperen.’

5.
Er is geen hiërarchie in de fijnheid van de dagen. Vandaag ging kort gezegd als volgt: ontbijt met croissantjes en chocoladebroodjes. Badminton. Tafeltennis. Lunch van de skottelbraai. Lopen langs de zee, met in de ene hand schoenen en in de andere een hand, naar het dorp om softijs te eten. Langs de zee terug. Een foto maken die hem exact vastlegt zoals ik hem zie. Dan een strandtent. Hij met tranen in zijn ogen van tevredenheid. Cocktails drinken, boek op schoot. Langer blijven zitten dan het plan was, pannenkoeken bestellen. Olympische Spelen kijken in de camper. ’s Avonds laat samen over de camping lopen om te douchen. Tegen hem aan geplakt alsof we elkaar maanden hebben moeten missen en enkele minuten geleden herenigd zijn. Er om lachen maar er niet mee kunnen stoppen.

6.
Ik heb een boek mee dat heftig schijnt te zijn, of, zoals het op de kaft staat verwoord, dat dwars door je ziel boort. Hij stelde voor het thuis te laten, maar ik was eigenwijs en pakte het in (al vroeg ook ik me af: waar schuilt toch de aantrekkelijkheid van het boren in een ziel?). Hij zegt: waarschuw me als het vervelend wordt. Het klinkt lief, alsof hij me tegen al het leed in de literaire wereld zou willen beschermen. Ik schrijf deze zinnen nu het zover is. Het is vervelend geworden. Maar nu is ie net naar de supermarkt, om speklappen en bier te kopen.

7.
Ik lig in het zand en zie niets dan blauwe lucht, met precies in het midden de verblindende zon. Heel dichtbij, geruststellend dichtbij, hoor ik ademhalen. Ver weg een wirwar van vrolijk gestemde mensen. Heel soms vang ik een zin op. Als vanzelf wordt het een spel in mijn hoofd om er een zo poëtisch mogelijke context omheen te verzinnen. Heel soms hoeft dat niet. Een moeder die haar kind terloops van wijze raad voorziet, als het de koers van opgegooid zand onder invloed van zeewind inspecteert: ‘Voorzichtig zijn hoor, met andere mensen.’

8.
Het is nacht nu ik dit schrijf. Ik ben van ons de enige die wakker is. Het boek houdt me uit de slaap, maar meer nog hoezeer ik hem houden wil. Wat ik even wilde noteren is dit: ik dacht net voor het allereerst ooit het woord zielsveel.

9.
Weer thuis zijn maar nog niet op aarde. Blik op bruine armen maakt heimwee. De wens om iedereen foto’s voor te schotelen, maar al heel snel constateren dat het toch ondeelbaar is. De laatste restanten wegbergen: jurkjes van het wasrek halen, zand opzuigen, boek uitlezen, pak yoghurt van een ongewoon merk uitknijpen.