Reis

 

1.
De vakantie begon bij Koning Willem, de spelletjeswinkel waarin een meedenkende medewerker een selectie van spellen voor twee uitstalde, waarna mijn reisgenoot in zijn zo charmante enthousiasme riep: we nemen ze allemaal!

2.
Het lijkt wel alsof ik vliegen elke keer enger ga vinden. Alsof geldt dat hoe vaker je vliegt, hoe groter de kans dat het dan toch een keer misgaat. In een poging tot afleiding kijk ik de film Lion. Stortvloed aan tranen, er is geen houden aan. Niemand die er iets van merkt, iedereen slaapt. Hij ook. En hoe. Er gaat een troostend effect van uit. Zoveel wonderlijke ontspanning in zoiets angstaanjagends als een vliegtuig.

3.
In het busje dat ons in 3,5 uur tijd van Chang Mai naar Pai moet brengen, hangen plaatjes van poppetjes die boven de toiletpot hangen met een groot rood kruis erdoor. Op overgeven blijkt een hoge boete te staan. Als ik R erop wijs, zegt hij: ‘Ja, straks in Pai kun je t-shirts kopen waarop staat dat je deze beroemde rit hebt overleefd. Meer dan 700 haarspeldbochten hè.’ Altijd een geruststellend woordje klaar, die man van mij. Even later constateer ik dat in de spijltjes van de ventilator die voor ons hangt ondefinieerbare opgedroogde klodders hangen. Grauw van kleur. Ik stel me voor wat voor effect dat geeft, kotsen in een ventilator die voluit draait, en weet het even niet met dat hele backpacken. Ik zal wel weer een mietje zijn.

4.
Hoe ik vakantie graag heb: op avontuur, benen moe van het klimmen en zuchten ‘hadden we maar water meegenomen’. Een van mijn lievelingsmomenten: als blijkt dat zijn hoogtevrees erger is dan die van mij. Boos als ik te dicht bij het randje kom. Paniekerig gezicht. ‘Weg daar. Ik meen het. Sam. Weg. Daar. Nu!’ Als we weer beneden staan, drukt hij me onzacht tegen zich aan. Ik lach. Mooi hè, zeg ik, dat we steeds precies niet tegelijk bang zijn.

5.
We rijden met de scooter naar een grot, ruim vijftig kilometer door de bergen verderop, en op de route ligt de top. De reis nog mooier dan de bestemming. Eenmaal daar sleept een Thaise gids ons in rap tempo door het natuurwonder heen. Ze houdt zacht mijn hand vast en wijst elke paar seconden naar een stukje rots. “This one look like frog. Like frog. This one look like Santa. This one look like ufo. U-F-O.” Aha. “Can you tell us a bit more about the origin of all this?” “Uh, I don’t know.”

6.
Ik dacht dat terminologie als ‘jezelf tegenkomen’ was voorbehouden aan amper volwassenen die maandenlang en helemaal alleen een ander continent verkenden. Maar misschien komt het, indien je die fase destijds hebt overgeslagen, gewoon alsnog. Ik betrap me hier soms op krampachtig, bang, terughoudend. Dingen die ik niet wil zijn maar oh zo moeilijk te bestrijden. Ik wil zoveel liever zoals hij. Enthousiaste durfal zijn.

7.
Kleine stapjes dan. De eerste massage, scooter, milde curry, cocktails in een karaokebar. Dan opeens een grote stap: overnachting in de jungle. Te veel indrukken om op te sommen. Maar het is hier zo mooi dat het bijna niet erg is dat er torren bij ons in bed slapen, en het dak half open is. Buiten klinkt een orkest aan dierengeluiden. Ik lees en lig voornamelijk uit smetvrees bovenop zijn borst. Vlak voor hij in slaap valt, mompelt hij dat hij niet kan wachten tot het morgen is. Ik ook niet, fluister ik, al is dat vermoedelijk om andere redenen.

8.
Dan het eiland waar we als vanzelf vertragen. Hij oefent ’s ochtends met snorkelen in het zwembad, zijn rug binnen een half uur rood. We gaan kajakken, redden twee visjes uit een plastic fles en zo de zee van de fles. Redden, ook zoiets waar je alleen op vakantie tijd voor hebt. Oh en aan het eind van een dag zegt hij, alsof hij met een kleuter op vakantie is: dit is nu al de zesde keer vandaag dat ik je uit het water moet roepen.

9.
Mijn eerste woorden vanmorgen: ‘waar is mijn chocoladebroodje?’
Eerste woorden retour: ‘zal ik die gaan halen?’

10.
We nemen de nachtboot. Geen idee wat te verwachten. We worden als sardientjes in een blik geschoven. Een lage ruimte volgepropt met stapelbedden. Onze voeten liggen tegen andere voeten. De kleuren van het beddengoed doen denken aan gevangenis. Aan boord zo’n honderd backpackers en Thaise families. Net als in het vliegtuig verbaas ik me over de nonchalance van doorgewinterde reizigers. Als de boot van wal gaat, kijkt niemand op of om. Het schommelen, het wisselende geluid van de motoren, het plotselinge donker, niemand lijkt het op te merken. Alleen een baby, die hard begint te huilen. Vlak voor ik in slaap moet vallen, is dat de medereiziger in wie ik me nog het beste kan verplaatsen.

11.
Het laatste eiland is het allermooiste. Er is hier niets, er hoeft amper een keuze gemaakt. Aandacht enkel te verdelen tussen zee en boek. We zijn uren in de zee. Uren. En nog is het niet genoeg. Ik zeg: morgen ga ik nog meer zwemmen in de vloed. Dan lees ik als het eb is wel weer verder in mijn boek. Deze dagen… hij en ik… kon ik er maar een holletje van maken waar ik altijd even in kon op de wat minder zonnige exemplaren.

12.
En ik lees zoiets moois nu. Boek vier. De laatste deur. Ik las nooit eerder iets van Jeroen Brouwers, maar ik vind het prachtig. Een zin over het huis, als zijn vriendin hem zojuist heeft verlaten: ‘en de spiegel is opeens veel groter omdat er minder flesjes, busjes, doosjes, tubetjes, kleurtjes en penseeltjes hoeven te worden weerspiegeld.’

13.
Hier stoppen met vertellen of toch iets zeggen over de ruim 70 uren durende hongerige, misselijke, slapeloze, paniekerige hel die de terugreis was? Dit was al wel voldoende.

14.
In het laatste vliegtuig zit naast ons een Engelse dame die alleen reist. Ze kijkt een film die haar iedere tien minuten heel hard laat lachen. Ze schatert mijn reisgenoot wakker. Het is aanstekelijk, we vragen welke film ze kijkt. Ik kan wel wat plezier gebruiken. Ze noemt de titel en ik schakel in. Een uur later stromen de tranen over mijn wangen. Van ontroering, welteverstaan. Hij kijkt me verbaasd aan en ik snik: begrijp je nu wat voor vlees je in de kuip hebt?

15.
Er is maar een plek waar ik liever naartoe wil dan naar huis. En eenmaal weer in eigen land, zijn er al berichten van zussen die dat snappen.

Zus 1: ‘Hoe laat kan ik je op komen halen?’
Zus 2: ‘Als je opschiet, kan je de finales nog zien.’

Witjes en wat wankel op m’n benen stap ik eerder uit de trein dan hij. Dag allerliefste reisgenoot, tot morgen. Ik moet nu even het weiland in, cross kijken, tegen het hek leunen – ademhalen in het exacte midden van mijn comfortzone.