Achter de muren

Ik heb de sleutel van het huis waar ik zo diep in was weggekropen, geretourneerd aan de rechtmatige eigenaar. Vaak genoeg verhuisd om te weten dat een huis maar een huis is, maar nog altijd sentimenteel genoeg om het te verbinden aan tijd die voorbij is en die nergens is opgeslagen – behalve in dat huis.

Dit is het huis dat als een dekentje over me heen lag in de lange winter die naar de maatstaven van het knmi helemaal niet koud was, maar Syberisch naar die van mij. Dit is het huis waar ik de ene zondag panikeerde van alleenheid en de andere zondag ontspande van de rust, de tijd en het ontbreken van een ander om me naar te vormen, om toegevingen tot te doen. Het huis waar de zondagen van het tweede soort langzaam de overhand namen, net zo lang tot er niet een meer tussen zat waarop een toevlucht tot Tinder noodzakelijk was.

Het huis waarin ik op adem kwam. Waarin ik net zolang naar Netflix keek totdat ik weer in staat was tot lezen. Waarin ik eindeloos vaak van de bank opstond, als ik net lekker in een hoofdstuk zat, om een elpee om te draaien, terwijl ik ook Spotify had. Het huis met de wijnbar om de hoek waarvan iedereen veronderstelde dat ik er wekelijks te vinden was, terwijl het in werkelijkheid eerder neerkwam op jaarlijks – en alleen als ik mezelf weer eens had buitengesloten.

Het huis waarin het dan toch weer lente werd. Van de vensterbank waarop je de krant kon lezen, waarop je met thee en muesli in een bak groots uitzicht op de wereld had. Op medemensen die met hun kop in de wind de brug trotseerden. Op grijze-zaterdagen-winkelpubliek. Op hardlopers die wel waren gegaan. Op dapperder types dan ik.

Het huis waaraan een bad ontbrak. En een vloer in een kleur die me aanstond. Of een slaapkamer die ik behaaglijk vond. Het bed in het midden van een veel te grote, veel te hoge kamer, alsof ik sliep in een huis dat me wilde leren ruimte in te nemen, me groter te maken, dieper in te ademen, in plaats van te verlangen naar de armen van een ander.

Huis waarin we feestjes vierden, dineerden op het dakterras. Dansten op vrijdagavonden, toekomstplannen maakten, filosofeerden, eindeloos elkaar de schuld gaven als de chocola op was.

Het huis waarin ik dwars tegen alle stelligheid in weer verliefd werd. Waarin ik op een vrijdagavond pannenkoeken stond te bakken zonder dat ik daar de ingrediënten voor in huis had, voor een man die me even daarvoor al gekust had, kort, alsof het een test was, of het daarmee gedaan zou zijn, de veelheid van de avond, of het doorgeprikt zou zijn. Het huis waar hij een keurige paar weken later voor het eerst zou blijven slapen, en we uren naar elkaar keken van dat zo’n luxe bestond, zo alleen en samen zijn, zo’n hele nacht, zo uitgestrekt. De ochtend erna waarop hij vroeg wat ik het allerliefst wilde eten, en dat ik chocoladebroodjes zei. Dat hij zo langdurig wegbleef dat ik langzaam bang werd dat hij niet meer terug zou komen, dat ik me alles had verbeeld. Uur waarin ik zoveel leerde over mijn sceptische binnenkant, nog vol van zie-je-wel-verdriet – terwijl hij ondertussen net zolang gezocht had tot hij het broodje van mijn keuze ergens had gevonden, want de markt, bakker, de hema, en de eerste twee supermarkten hadden ‘m niet. Huis waarin ik hem voor altijd wilde houden. Waarin ik langzaam door zijn ogen leerde kijken: alles in mijn leven leek opeens zoveel gelukter dan hoe ik het mezelf had voorgehouden.

Misschien ga ik het huis niet missen maar de tijd. Tijd van opkrabbelen, tijd van verbazen, tijd van eigen benen. Van naar buiten gaan en sleutels vergeten – deur achter me dicht. Van dat soort warrige ontspanning – waar stiekem een hele vooruitgang in zit.