Baan

Op de vraag wat ik vroeger wilde worden als ik later groot zou zijn, antwoord ik – zonder de drie seconden denkwerk in acht te nemen die ik me zo dringend had voorgenomen – sportcommentator. De mannen aan de andere kant van de tafel kijken me geamuseerd aan. ‘Voetbalcommentator?’

‘Ja! Zo’n stem die iedereen kent, die zelfs de hond in de mand vertrouwd is. Zo’n stem waar nooit een gezicht bij past, als zo iemand per ongeluk in beeld komt dan raak je ineens de kluts kwijt.’

Terwijl de heren verder vragen naar het hoe en waarom van deze voorkeur, vraag ik me af: waarom wilde ik eigenlijk geen topsporter worden? Waarom toen al liever niet volop in beeld – horen kinderen niet onbevangen te zijn? Er zijn er toch ook die roepen dat ze president van Amerika willen worden, astronaut of artsen zonder grenzen. Aan de andere kant: er zijn ook kinderen die als je vraagt wat ze later willen worden heel verlegen maar ernstig zeggen: ‘Moeder.’ Ik heb overigens nog nooit een jongetje ‘vader’ horen antwoorden. Er was wel een jochie van vier op wie ik ‘s avonds paste en dat zich voor het slapen gaan dertig keer opdrukte. Hij wilde later namelijk de sterkste man van Nederland worden. Ook mooi.

Als ik ooit weer kind word, hoop ik dat ik topsporter wil worden. Daar niet meer te verlegen voor zijn. Leren hoe je zo snel mogelijk vooruit kunt, filosoferen over honderdsten van seconden.

‘En waarom ben je geen sportcommentator geworden?’

‘Ik denk omdat ik er te sentimenteel voor ben. Die mensen weten zich tot op zekere hoogte altijd te beheersen. Soms is het even stil, of slaat er een stem over, maar ik heb nog nooit écht iets geks gehoord. Geen tranen met tuiten. Hebben jullie dat fragment van die Vlaamse commentator gehoord op het moment dat Robben zijn zoontje probeerde te troosten? Zo zou ik zijn. Zo keer tien.’

Hoewel ik me afvraag of de mannen mij nu inschatten als een hysterische, labiele vrouw die je nooit als collega moet willen, blijven ze geïnteresseerd voorover buigen. Hopelijk zien zij wat in de vacature heette ‘affiniteit met sport’.

Ik denk aan wat ik nog meer niet ben geworden. Kinderboekenschrijver, psychiater, Matthijs van Nieuwkerk. Aan al die keren dat je moest opstaan en zeggen: ik! Als je je vinger opsteekt moet je je ene arm met de andere ondersteunen en de spieren voelen rekken in je zij. Niet je hand heel langzaam in de richting van je kin bewegen, en dan ook nog in je mouw verstoppen.

Dit is wat ik wel ben geworden: kampioen mezelf tegenhouden. Maar dat zal me deze keer niet gebeuren. Vandaag bewijs ik het tegendeel. Ik heb de baan.