Burgemeester

Vroeg je vroeger aan me wat ik wilde worden, dan was het: banketbakker. Dat meende ik oprecht. Het was met name gebaseerd op de gezellige dierengebakjes in de vitrine van de bakker waar mijn tante werkte, maar het was ook bescheidenheid. Of een gebrek aan voorstellingsvermogen. Hoe dan ook lagen ergens de echte antwoorden: schrijver, redacteur, journalist. Woorden met magische aantrekkingskracht. Diep verborgen onder duizend bezwaren, mitsen en maren. Onder bakstenen van aarzeling die een voor een versleept dienden te worden.

Niemand weet wat een gesjouw dat was. Van het meisje dat door niemand werd gevraagd om mee te gaan zwemmen, omdat ze toch alleen maar langs de kant zou zitten lezen en het water te koud vond, het meisje dat stiekem gedichtjes opstuurde naar tienertijdschriften en elke woensdagmiddag samen met mama naar de stad fietste, pakketje boeken onder de snelbinders, naar de bibliotheek om in te verdwijnen, of de hema voor nieuwe schriftjes om vol te schrijven, tot nu.

Dat ik een boekenmeisje ben, geboren in een boekenstad, zijn volgens mij twee feiten waartussen geen oorzakelijk verband bestaat. Het komt me echter wel gelukkig uit: met de allergrootste boekenmarkt, straten vol antiquariaten, de oudste bibliotheek van het land en een poëziefestival waar ik ieder jaar intens tevreden ronddwaal.

Hoe langer ik erover nadenk, hoe toevalliger het wordt dat mijn stad zo goed bij me past. Of: hoe onwaarschijnlijker dat het toevallig is. Net alsof alles in deze stad precies het juiste formaat heeft. Dat het geen Amsterdam is en vaak tergend traag achter tendensen aan hobbelt, is iets waar ik maar zelden onder lijd. Ik keer er  juist zo graag naar terug. Een stad zit me liever net wat te krap dan net iets te wijd.

Deze zomer was er in het theater iemand die vroeg: ‘was dit de eerste keer dat je iets voordroeg?’ Nee, zei ik, maar wel de eerste keer naar tevredenheid. Het besef: al ruim tien jaar regelmatig gedaan en dit was de eerste keer dat ik het goed vond gaan. Nee, erg snel doe ik het allemaal niet, maar als ik ’s avonds in bed lig en vrees dat niks ooit wordt zoals ik zou willen zolang het zo voorzichtig gaat, herhaal ik sussend deze zin: het gaat niet om de vaart, maar om de volharding.

Deze strategie die geen strategie is, lijkt desalniettemin vruchten af te werpen. Meestal kan ik de emotie trots-zijn-op-mezelf maximaal een paar seconden vasthouden. Dan komt alles wat beter kan, wat anders moet, wat anderen veel sneller/slimmer/mooier doen. Maar nu ga ik het zeggen, voluit, met moeite, dat wel, nog steeds, maar als het nu niet mag zou het nooit mogen, en dat vind ik zonde, dus daar komt het, ik schrijf het op, laat me, alsjeblieft:

Ik ben trots op mezelf.

Men heeft me gevraagd in 2017 de Burgemeester van de Deventer Boekenweek te zijn.

Het is niet zozeer trots op die vraag, of op wat me zoal lukt vandaag, maar meer op de afstand tussen het meisje dat zei dat ze banketbakker wilde worden, en degene die straks voor een week tot burgemeester van de stad wordt benoemd.

Ik moest maar eens iets goeds gaan schrijven. Straks word ik nog beroemd.