Duik (II)

Vanmiddag ben ik langs mijn huis gefietst. Ik bedoel: ik ben vergeten af te slaan, fietste diep in gedachten rechtdoor: richting het huis waar ik niet meer woon. Pas na een paar honderd meter werd ik wakker. Dat moment van om moeten keren – alles zat erin.

De verwarring van de afgelopen maanden samengevat in een paar seconden. Moeten remmen. Het hele stuk dat ik had afgelegd weer terug. Tegen andere fietsers in, geïrriteerde gezichten. Nog net te beleefd om me na te roepen. Wat zijn dit voor rare manoeuvres. Spookrijder. Gevaar op de weg. Mislukkeling.

Tegenwind en tranen: ik moest mijn nieuwe mantra minstens tachtig keer herhalen voor ik weer spieren in mijn benen voelde. Wennen kost tijd. En al die tijd mag het ene na het andere paniekmoment voorbij gaan zonder dat je ook maar iets kunt doen. Behalve – hoe voorspelbaar – vluchten in Netflix en koekjes.

Toen ik ’s avonds mijn hardloopschoenen aantrok, dacht ik: nu moet ik niet nog meer domme dingen doen, nu moet ik een sleutel meenemen. Er zal straks niemand thuis zijn om de deur voor me open te doen – en er is hier ook geen buurvrouw die een sleutel heeft. Ik haalde er een van mijn sleutelbos en stopte de sleutel in mijn sportbeha. Net voor ik de deur achter me dichtdeed, nog een snelle, laatste check. Het was de sleutel van het verkeerde huis.