Duik

Als ik de afgelopen weken elke dag in een dagboek had geschreven en iemand dat per ongeluk had gelezen, dan voorzag ik een gedwongen opname met rechterlijke machtiging.

Hoe het voelt op de ene dag: alsof ik dronken en overmoedig op een veel te hoge duikplank ben geklommen en nu met mijn tenen om het randje sta gekruld, bibberend en met een hart dat van angst tegen mijn ribben bonkt. En op de andere: alsof er veel meer lucht in mijn longen past dan ik heel lang heb gedacht.

Vanavond pakte ik de boekenkast uit die drie jaar geleden speciaal voor mij werd gemaakt. Dacht ik aan de zonnige ochtend waarop ik mijn boeken een voor een in de kast zette. Veel te traag, er was nog zoveel te doen dat zoveel urgenter was, maar ik verzon een nieuwe manier van ordenen die niemand behalve ik ooit zou begrijpen en waarvan niemand behalve ik ooit het belang zou inzien, en nam de tijd. Ik wist het allemaal zo zeker.

Nu gaan de boeken een voor een in dozen, met wat op tegenzin lijkt, alsof zelfs zij bedenkingen hebben bij deze verhuizing. Ik beloof ze een mooie Billy en prop acht dozen vol. Bij inpakken en opruimen hoort spullen tegenkomen die het proces vertragen, die aan je handen blijven plakken. Een boekje volgeschreven met verliefde zinnen. Een cadeautje dat ik afdwong met klagen dat ik nooit cadeautjes kreeg. Een tegoedbon in codetaal. Bij inpakken en opruimen hoor je je precies zo te voelen als dit, houd ik mezelf voor.

Wie ooit met mij een hoge trap beklom – een kerk, een vuurtoren, of erger nog: een reuzenrad – weet wat voor held op sokken ik ben: met witte knokkels om de reling, natte handen die niet los durven laten. Kromgebogen alsof ik rechtop te veel wind zou vangen en weg zou vliegen. Hoogtevrees. Blinde paniek.

Wie toen ooit bij me was, mag nu ook bij me blijven. Alleen aan wie ooit met mij een hoge trap beklom durf ik te zeggen hoe het voelt, de ene dag, en te vragen – om heel misschien volgende week een of twee verhuisdozen voor me te dragen.