Fase twee

Altijd gedacht dat ik iemand was die nooit boos werd.

Dat ik elke frustratie die de buitenwereld veroorzaakte wist te herleiden tot iets wat krom of klem binnenin mij zat en getroost wilde worden. Ik dacht dat ik iemand was die nooit met een wrap zou gooien, als ik hem had dichtgevouwen maar het vet toch via mijn pinken mijn mouwen in gleed.

Woede was een emotie die ik bij voorkeur aan mijn vader overliet. Die is daar nogal goed in: met spullen smijten, ongehinderd van zich laten horen. En als ik hem dan eens voorzichtig vertelde wat me dwarszat, dat een auto me afsneed of een meneer in een café een brutale vraag had, was de wilde opwinding die mijn anekdote bij hem teweegbracht, voor mij meestal voldoende. Alsof mijn stille woede als vanzelf oploste in de luidruchtige, overdonderende variant van mijn vader.

Maar ’s nachts bel ik hem niet. Nu ik steeds om 5 uur wakker word van de woede in mijn lijf. Zoals je wakker wordt van misselijk zijn, of van moeten plassen. Lig ik daar van 5 tot 7 kwaad te zijn, zonder geluid te maken, zonder dat de wereld het hoeft te ontgelden. Een introverte vorm van boos zijn die niet oplucht, maar uitput. Niemand om tegen te schreeuwen. Alleen maar een hart dat het matras als boksbal benut.

Wraak of verdriet – een van de twee zal binnenkort wel op mijn boosheid volgen. Volgens de boeken moet mijn hoofd nog allerlei kanten op, voordat de aanvaarding komt. Ondertussen wacht ik ongeduldig op een milder soort gif dan dit. Want ik ben boos en word alleen maar bozer: de enige die er last van heeft ben ik.