Genoeg

Als je geen zin hebt in geneuzel over verliefd zijn, adviseer ik je snel iets anders te gaan lezen. Hier en hier vind je bijvoorbeeld mooie, minder zoetsappige verhalen om de leeshonger te stillen. Tot zover de vrijwaringsclausule. Dan gaat nu het hek van de dam.

Ik ben benieuwd hoe ik er straks aan terugdenk, als deze zomer voorbij is. En welke geuren er dan bij horen, die me later meteen weer in de waas van deze dagen trekken. Tenminste die van zijn jas, tenminste die van zijn hals. Soms lijkt het alsof het nog twee kanten op kan: dat het een droom bleek waaruit ik straks ineens wakker word, of dat dit echt is en het begin. Ik ben bang en niet-bang tegelijk. Het voelt in elk geval alsof mijn voeten al weken de grond niet meer hebben aangeraakt. Alsof ik door de dagen zwem in een toestand die dichterbij dromen ligt dan bij bevattelijkheid.

Van alle dingen die hij en ik samen kunnen doen, heeft slapen de laagste prioriteit. In slaap vallen is afscheid nemen en laat dat nu net iets zijn waar we niet in uitblinken. Of juist wel, het is maar net hoe je het bekijkt. Hoe dan ook: afscheid nemen kost tijd. Veel tijd. Het meest nog op momenten die feitelijk gezien niet eens onder de noemer afscheid zouden hoeven vallen.

De meerwaarde van slapen schuilt vooral in wakker worden, in de seconden waarin de verliefdheid zich als een batterij razendsnel oplaadt in mijn buik. Verrukkelijk begin van de dag is dat, ogen nog dicht en hart al open.

Nog geen drie minuten ochtend en we lachen er al om. Moet je ons eens zien, nog beter in puberale verliefdheid dan pubers zelf. Het voelt als iets waarmee we gefeliciteerd zouden mogen worden. Zoveel meer dan met een verjaardag, of een diploma. Dat eigenlijk niemand dat doet, draagt bij aan mijn overtuiging dat dit een ondeelbaar verhaal is. Dat dit eilandje voor omstanders misschien een doodnormaal uitzicht is, terwijl wij bewoners het de meest wonderlijke omgeving vinden waarin we ons ooit hebben begeven.

Het geeft niet als niemand het ziet, zelfs niet als niemand kijkt. Als hij maar voor altijd met deze ogen naar me blijft kijken. Zou dat dan de kern van verliefdheid zijn: dat het genoeg is. In alle opzichten genoeg. Soms bijna te veel, balancerend op een randje dat ik niet kende voordat hij er was. Dat ik – romanticus tot in mijn tenen – mezelf hoor zeggen dat het ook wel wat minder mag.

‘Mooi hè… wij.’ Zegt hij. Hij wil nog dichterbij dan ik hem laat en dat vind ik het allermooiste wat er bestaat.