Latijn

Een van mijn favoriete schrijvers (Alex Boogers, van dit stukje, en deze) vertelde over de moed die hij had moeten verzamelen voordat hij een volgeschreven schrift aan een leraar op de mavo liet lezen. Hoe de geringschattende reactie van die man (‘iedereen kan schrijven’) die zelfs pas na enig aandringen loskwam, nog altijd in zijn hoofd spookte. Over de afstand die je moet afleggen voordat je het een tweede keer durft te proberen.

Ik dacht aan de keer dat ik iets aan een leraar had laten lezen. Aan de ochtend waarop de al jaren tegen de pensioenleeftijd aan schurende docent Latijn met een vochtig voorhoofd en hoge stem aan me vroeg of ik, als straks het lesuur was afgelopen, nog even in het lokaal wilde blijven.

Een paar dagen eerder had ik, op zijn verzoek, het multomapje met vijf uitgeprinte gedichten aangeleverd dat – sinds het moment dat bekend was dat ik min of meer per ongeluk een poëziewedstrijd had gewonnen – al door vele nieuwsgierige handen was gegaan. Bijna routineus had ik het op zijn bureau gelegd. Hij vroeg het, ik deelde het gedachteloos. Het was allang niet meer van mij.

Toen we samen in het lokaal waren achtergebleven, viel op dat hij nog steeds bovengemiddeld nerveus was. Hij was áltijd nerveus, hij was een verstrooide professor die geheel tegen alle natuur in de dagen deelde met onwillige middelbare scholieren, maar dit was anders, dat voelde ik. Hij sloeg de inleiding over en opperde: die gedichten… nouja…  (hij wapperde wat met het mapje) die gaan toch over mij?

Ik kan me de praktische reactie niet goed herinneren, enkel het zo rap mogelijk ontkennen en het maken dat ik wegkwam, maar in mij wel de schok. Dit is dus het risico van schrijven. Zie hier de mogelijke misverstanden, de effecten die ik niet kan controleren. Ik ben dus niet zo naakt als ik me voel, ik ben zo naakt als hij me maakt in zijn gedachten.

Een paar uur later werd ik door de leraar wiskunde, die naast zijn leraarschap naar later bleek ook was verkozen tot vertrouwenspersoon, voor het eerst in mijn vijftienjarige leven uit een les geroepen. (Dat vond ik overigens altijd bijzonder interessant, kinderen die uit een les werden geroepen. Het mysterie. De nieuwsgierige anderen en het spel dat je met die aandacht kon spelen, het tergend trage vertellen.)

Eenmaal alleen in een kamer bleek het met dat mysterie wel mee te vallen en sprak de wiskundeleraar vier zinnen die het nog altijd goed doen op feesten en partijen. ‘Het is voorlopig niet zo’n goed idee voor jou om Latijn te volgen op deze locatie van onze scholengemeenschap. Meneer de Iep heeft vanmorgen medegedeeld dat hij gevoelens voor je heeft. Je kunt Latijn volgen op een andere school, totdat de betreffende gevoelens voorbij zijn. We willen je vragen er met niemand over te praten.’

(Leraren Latijn zijn schaars. Die moet je koesteren, dat begrijp ik volkomen. Meisjes van zestien daarentegen, die zijn er in overvloed. Maar toch.)

Er kwam inderdaad een moment waarop kenbaar werd gemaakt dat de tijd z’n werk had gedaan en de gevoelens hun kracht waren verloren. Ik kon weer naar de les en deed dat – ter illustratie van de mate waarin mijn onmetelijke beleefdheid me in de weg kan zitten – braaf. Ik herinner me hoe die eerste lessen voelden. Na een verstikkende dosis ongemakkelijkheid volgde nog een vleugje belediging. Dat het was overgegaan. Alsof ik nu niet meer bijzonder was, bijna alsof ik iets verkeerd had gedaan.

Wat ik maar probeer te zeggen: schrijven doe je in volstrekte naaktheid, weerloos, niet tegen de minste of geringste blik bestand. Of het nu een lezer is die zich net te gretig uitlaat of zich juist te karig inspant – om in de terminologie van Alex Boogers af te sluiten – je wordt meteen terug in je schulp geramd.

 

(Foto: schulteschulz.nl)