Opa

We spreken af dat we elkaar tegemoet lopen in het dorp. Ik ren vanuit de stad, hij vertrekt vanuit het bejaardentehuis, waar hij wekelijks twee potjes rummikub speelt om een van de bewoners te plezieren. De kou, het donker, de stille straat is geladen met het soortelijk gewicht van familie. Mijn opa en ik zijn naar elkaar op zoek. Ik ren niet van hem af maar naar hem toe, en verdraag het gegeven dat opa zien gelijkstaat aan oma missen.

In de Dorpsstraat, aan de andere kant van de weg, loopt een man die oud is, met een pet en een stok. Is dat hem? Is hij niet veel langer? Nee. We kussen en hij lacht. Hij is net 84 en verontschuldigt zich voor de stok in zijn hand. Vertelt dat de stok ooit van zijn vader was, de vader die ik heb gekend, die honderd werd. Hij zegt het alsof hij de stok enkel hanteert uit sentiment.

Eenmaal thuis is er thee en stelt hij vragen. Hij vertelt dat hij zo druk is dat hij koersbal op maandag heeft moeten opgeven. Hij zegt dat hij bezig moet blijven, dat hij bezig moet blijven, dat hij bezig moet blijven. Hij excuseert zich voor het vele praten. Vertelt over oma. De allereerste dagen samen, de allerlaatste dagen. Hij schiet van machteloosheid in opluchting in verdriet.

Over haar zijn nog duizend zinnen onaf. Over haar worden nog hoofden gebogen. Maar hij is er nog. Hij redt zich, beweegt zich, stelt zich vragen, legt zich neer. Valt na vijftig jaar samen, elke avond alleen in slaap. Dit jaar nummerde hij de visite voor zijn verjaardag. Had hij precies veertig koppen geteld. Of dat genoeg is, vraag ik. Mijn hart breekt voor al wat daar niet om vraagt, voor al wat zich schikt.

Hij brengt me thuis, tot aan de voordeur, tot aan het licht. Ik zeg dat ik wil lopen, maar hij staat erop. Als was ik een klein kind, als was het donkerder geworden dan het de heenweg was, of rekte hij de avond liefst zo ver mogelijk op.