Teun (2)

Toen het kerst was kwam mijn babyneefje voor het eerst bij ons logeren. Hij werd samen met een tas of vijf, een gebruiksaanwijzing en zakjes vol bevroren moedermelk bij ons afgeleverd. In het boekje dat mijn zusje had volgeschreven, werden de verschillende manieren waarop hij kon huilen uitgelegd.

Hij huilde niet. En elke keer dat hij zijn fascinatie voor lampen even besloot te laten voor wat het was en zijn tante op een paar seconden oogcontact trakteerde, dacht ik aan het allereerste moment dat hij en ik elkaar zagen. Ik was na twee slapeloze nachten op het bed van mijn zusje gekropen. Hij was net geboren en wilde daar eerst even rustig van bijkomen. Hij wachtte met wakker worden tot we, met zijn hoofdje op mijn elleboog, alleen in de schemerige kamer waren. Hij keek de tranen uit mijn ogen.

Toen hij de helft van de melkvoorraad achter zijn spreekwoordelijke kiezen had en heel tevreden in zijn bedje lag, dronken wij beneden onwennig wijn met een babyfoon tussen de glazen. Al snel sloegen ze toe: de zorgen. Doet dat apparaat het wel? Waarom hoor ik hem niet ademhalen? ‘Ik denk dat ik toch maar even ga kijken.’

Dit ritueel herhaalde zich, de hele nacht, plusminus om de vijf minuten. Terwijl in de kamer naast de onze een modelbaby zijn roes lag uit te slapen, somde ik 78 redenen op om nooit aan zo’n kwetsbare verantwoordelijkheid te beginnen. Veel te zorgelijk aangelegd. Veel te veel gevaren te verzinnen.

Maar toch, toen hij ’s ochtends een geluidje maakte en ik hem binnen enkele seconden naast me in bed had gelegd, was ik de meeste redenen alweer vergeten. Hij huilde nog steeds niet en lag geduldig op zijn ontbijtje te wachten. Ik kroop tegen hem aan en dacht: nog nooit had ik een ochtend zoveel liever dan een nacht.