Vanillecola

De laatste maanden is mijn hoofd vol met zaken die ik niet durf te delen. Omdat ik nu eenmaal voorzichtig ben aangelegd en tegelijk niet anders kan schrijven dan open en bloot. En intussen zeurt onophoudelijk de behoefte dat toch te doen, wat vaker onverbiddelijk te zijn, verhalen te maken. Te schríjven.

Ik begrijp niet waarom ik – stel dat hij zo van vanillecola hield – van die vanillecola geen cassis kan maken, om afstand te scheppen en meer te durven. Van een voetballer een acrobaat, van een vader een buurman, de ene droom inleveren voor een andere die ik in een tijdschrift las.

Nee, het moet per definitie vanillecola zijn. Dat kan de zaken in openbare verslaglegging nogal compliceren. En als je steeds maar om en nabij die grens van wat wel en niet gezegd kan worden blijft schuifelen, komt er dus geen zin meer op papier. Of in elk geval: niets dat niemand anders had kunnen schrijven.

De oplossing die ik heb verzonnen is voorlopig dan maar in stilte stukjes te schrijven, in de hoop dat er een moment komt dat alles niet meer zo delicaat voelt als vandaag en klaar is om gewoon taal te zijn. Dat lijkt, alweer voorzichtig, te lukken: ik heb al een kleine stapel. Maar dan wordt het dus wel een beetje stiller, hier. Gelukkig kun je nu ook plaatjes kijken.