Weekend (7)

Echte bloggers vertellen over hun weekend. En laten er foto’s van zien. Ik probeer in 2016 ook mijn weekend(gedachten) te delen. Het mislukt vaker dan het lukt, maar dat geeft niet, want ik ben natuurlijk geen echte blogger.

Had ik al verteld dat ik altijd op zoek ben naar zaken waar ik me aan vast kan houden (en tegelijk altijd heel druk ben met dingen die ik los zou moeten laten)? In dit geval betreft mijn houvast de vijf officiële fases van liefdesverdriet. Het troost om te weten dat de dagen waar ik me doorheen worstel en die tamelijk eenzaam aanvoelen, stiekem toch een route vormen die al ontelbare keren is afgelegd. Een onherbergzame jungle waar mijn voorgangers steentjes en krassen in bomen achterlieten in de vorm van liedjes, films en een miljoen zoekresultaten op Google.

Echter: die vijf beloofde fases zijn ook al niet te vertrouwen merk ik. Had ik goede hoop dat het eind van fase 3 in zicht kwam (voor wie nog nooit de noodzaak voelde zich hierin te verdiepen (wat een gemis in je leven), dat is verdriet dat volgt op ontkenning en woede), ben ik er opeens weer stellig van overtuigd dat hij een grote fout maakt en dat heus binnenkort zelf ook wel in zal zien. Fase 1 dus. Hmm. Of zal ik het maar beschouwen als herwinning van mijn zelfvertrouwen (‘hoe kun je nu zo oenig zijn om mij en al mijn heerlijkheid opzij te schuiven’) en daarmee als het nabije einde van de beproeving?

Hoe dan ook: dit alles is dodelijk vermoeiend. Het mag aanstellerig klinken, maar ga er maar aan staan als om je heen werkelijk iedereen trouwt, zwanger is en weet ik wat voor stappen in dezelfde (saaie doch kennelijk zaligmakende) richting zet. Ik moet eerlijk bekennen dat ik ook veel voordelen zie. En dat ik heus ook wel weet dat ik, toen ik me op die burgerlijke route bevond, daar ook niet bepaald vrolijk onder was. Het was veilig, ja, het stelde iedereen gerust, maar het was ook benauwend en onzichtbaar ongelukkig. Hoe vaak ik ’s avonds in bed lag te panikeren: ik heb alles maar ik voel niks, ik voel helemaal niks.

Wat je er verder ook over kunt zeggen, tegenwoordig voel ik weer meer dan genoeg. Dat meer dan de helft uit tamelijk sombere ellende bestaat, is nog altijd meer dan niets. Maar ik voel ook verlangen (en de bijbehorende, puberale angst voor niet-wederzijds-verlangen) en vertrouwen. Veel meer liefde voor mijn vrienden. En soms zelfs, in nauwelijks waarneembare vlagen, in vlaagjes als dat een woord is, ook voor mezelf en de eigenwijze, ingewikkelde weg van de meeste weerstand die ik kies.

De volgende stap is al deze zuur verdiende levenswijsheid tot tekst te maken en mijn allergrootste liefde voor het schrijven de ruimte te geven waar het om zeurt. Mijn intuitie zegt dat ik wat de mate van open-en-bloot-heid op deze plek betreft dan ofwel nog een stap vooruit zal moeten zetten, ofwel drie stappen achteruit (waarbij ik in het laatste geval dan toch van een collega een buurman maak, van een ik een derde persoon en van een oma iemand anders opa). Over die uitkomst moet ik nog even nadenken. In de tussentijd zal ik braaf en met enige haast de laatste fases doorlopen, zodat ik er straks op tijd bij ben voor wat lentegeluk.