You had me at hello

Toen je je voor het eerst aan me voorstelde, lang geleden in een café dat allang niet meer bestaat, was ik meteen onder de indruk. Ik weet nog dat ik dacht: dit lijkt me een gevaarlijke man om van te gaan houden. En ik weet nog dat ik niet veel weken later dacht: misschien maar beter ook dat hij niet staat te springen om een tweede date.

Een paar jaar daarna reed ik ‘s nachts vanuit een buurland terug naar huis. Slapende zusjes op de achterbank, naast me de zwager die het als zijn taak had opgevat om over mijn alertheid te waken door voortdurend vragen op me af te vuren. Toen hij bijna door zijn voorraad was, begon hij over jou. Hij kende je goed, veel beter dan ik. Sprak de sindsdien nauwkeurig in mij opgeslagen woorden: ‘hij vond je fantastisch, hij durfde het gewoon niet aan’. Een zin een nog betere strategie dan al die vragen bij elkaar. Ik herinner me verbazing over hoe die woorden voelden: alsof ze iets heel maakten wat al die tijd bijna ongemerkt maar onmiskenbaar een klein beetje stuk was gebleven.

Toen je me – nog een paar jaar later – opeens weer wist te vinden, leek het alsof je de tussenliggende jaren had besteed aan het verliezen van lagen. Toenadering open en vastberaden. En dat was precies wat noodzakelijk was, op de millimeter nauwkeurig. Iemand die heel precies mij uitkoos en bereid was eindeloos moeite te doen voor het traject van overtuigen.

Dat bleek alleen onnodig. Het was alsof iets wat buiten ons lag opeens had besloten dat dit het moment was en het blik had opengetrokken. Het huis had neergezet. Wij hoefden niets te doen – alleen maar te gaan wonen. We keken vanaf de bank naar wat zich tussen ons voltrok. Dachten wat gebeurt ons nu. Verbaasd, met grote ogen, ondersteboven.

Het eerste jaar is om. Nog anderhalf te gaan hè lief. Steeds minder cynische grapjes, steeds beter leer ik het leunen kennen. Ik raak langzaam vertrouwder met de weelde.  Ja, zo noem ik het graag. Vertrouwd raken met. Net iets zachter en voorzichtiger nog dan wennen.