Bol

Iemand zei: je moet rauwer schrijven. Hij was een man en vond dat wat ik schreef wel dichterbij mocht komen. Zijn vrouw zei dat ze vaak om wat ik schreef moest huilen. Ik vertelde over het eeuwige gevecht tussen open en bloot zijn, durven, en schaamte. Dat ik alles wat ik schrijf ook lees. Met de ogen van ieder ander.

Ik ben het soort schrijver dat elk woord zestien keer verwijdert, vervangt en verplaatst voordat de zin naar wens is. Het soort schrijver dat oneindig veel meer zinnen heeft getypt dan ooit zijn opgeslagen. Voor zover ik al een schrijver ben. Want echte schrijvers laten zich niet tegenhouden, denk ik steeds.

Schrijven is: toegeven dat ik het leven nogal ingewikkeld vind. Dat het me niet lukt om elke dag mee te doen. Dat ik trager ben dan de rest en vaak liever toekijk, langs de zijlijn. Maar op heel veel dagen weet ik niet of ik dat wel toe wil geven. Of ik niet liever wil doen alsof. Gewoon meedoen, niet zeuren, geen aandacht, geen blessures. Niet dat meisje zijn dat als laatste wordt gekozen. Geen mislukte dochter zijn. Gewoon meedoen en voldoen.

Later die week bladerde ik door alle zinnen die ik het afgelopen jaar heb geschreven. Veel vond ik middelmatig. Vaak ontbrak het aan een kop en staart. Tot ik stuitte ik op een stuk dat mijn eigen hart brak toen ik het teruglas. Zinnen die zo bol stonden van eenzaamheid, dat ze bijna knapten. In mijn buik. In de buik van een lezer. Ik wist bijna zeker dat hij dit bedoelde met rauw.

En dan nu de anticlimax: dat durf ik dus (nog) niet te delen.