Fortuin in fragmenten

In tijden van crisis is taal mijn houvast, in tijden van geluk de hindernis. Iemand zei: ‘maar wat ben je dan liever? Schrijver of gelukkig?’ Gelukkig. Maar toch. Ooit las ik de zin ‘taal hapert aan me’, daar dacht ik opeens weer aan. Misschien is dat wat er gebeurt.

Om te kunnen schrijven moet je bereid zijn afstand te scheppen. Terugtocht uit de dagelijkse dingen, toeschouwer zijn, vervreemden, zachtjes wegdrijven. Wil ik even niet. Ik wil middenin dit leven liggen en zo dichtbij mogelijk de dagen blijven.

Maar ik wil het ook vatten, delen, de weelde, het verkennen, het onnozele vertrouwen en de schoonheid daarvan – juist van die ezelachtige herhaling. Van de blindheid voor gevaren. Het kan, denk ik, enkel in fragmenten waar ik niets aan hoefde doen, behalve ze bewaren.

1.
03-04-16, 10:48 – R: Ben je verliefd?
03-04-16, 10:48 – S: Vind je dat een app-vraag?
03-04-16, 10:50 – S: Jij dan?
03-04-16, 10:50 – R: Ja, maar dat zeg ik je dinsdag pas in ‘t echt.

2.
Hij zei dat intens het goede woord zou zijn als de connotatie daarvan niet zo scherp was. Intens maar dan op een ronde en zachte manier. En hoe dat een belangrijk verschil was. ‘Want dit gaat nooit meer over. Dat geloof ik niet.’ Ik schudde om de monoloog niet te verstoren nauwelijks voelbaar van nee. Lag met een oor op zijn borst geplakt maar het andere luisterde voor ruimschoots twee.

3.
‘Je bent de beste.’
‘En wat ben jij dan?’
‘De bofkont.’

4.
Proefondervindelijk geleerd dat het maximum aantal uren van aanvaardbaar functioneren zonder zijn nabijheid, 30 is. Maar soms wordt die boog van tijd opeens, door een met het blote oog niet-waarneembare oorzaak die vermoedelijk aan andere zintuigen gerelateerd is, verdicht tot 30 seconden.

5.
Als er een vraag is die we het vaakst aan elkaar stellen, dan is het deze:
‘Is dit normaal?’

6.
5 maanden verkering. Hij kust me.
Als hij daarna richting de keuken loopt, zeg ik, en ik doe een poging achteloos te klinken: ‘Ik denk dat dit nooit meer over gaat.’ Het is de eerste keer dat ik een uitspraak doe over de houdbaarheid van liefde waarin mijn filosofisch scepticisme geheel ontbreekt.
‘Ein-de-lijk!’
Hij maakt een gorilla-achtig geluid en doet een Afrikaans-achtig dansje.
‘Eindelijk. Ze begint er in te geloven.’
Er zit geen verwijt in, enkel genoegen.

Er is een enorme dosis vertrouwen die hij dagelijks onvermoeibaar blijft aanvoeren net zolang tot alle in het verleden ontstane tekorten zijn aangevuld en ik van net zoveel goede moed ben voorzien als hij. Er is moeite die hij doet waarvan hij zegt dat het niet als moeite voelt. Er zijn momenten waarop hij zinnen als stokjes tussen mijn natuurlijke mechanismen steekt. Er is tijd die het mag duren.

7.
Onderweg naar huis zijn en weten dat hij – ondanks dat de afstand tussen station en huis hemelsbreed minder is dan een halve kilometer en het daarom eigenlijk volstrekte onzin is – als ik straks uit de trein stap, op het perron staat te wachten. Zijn marktplaatsfiets met mijn tas op het stuur, de onvervalste romantiek daarvan, de stellige weigering om vandaag nog buiten aanraakafstand te raken, hongerige kus als hopeloze poging tot het terugwinnen van tijd, al zijn het maar drie minuten, het hecht zich in mij.