Kok

Iemand zei: jij staat ook niet bepaald bekend om je vermogen tot loslaten. We dronken thee en ik beklaagde me over het een of ander. Het was iemand die me goed kent. Iemand die het steeds al van te voren wist, als dingen een slecht idee waren. Die evengoed niet begon te gapen als ik die dingen toch probeerde, of als het proberen lang begon te duren, als het een slepende kwestie werd.

Ik zei: ik heb gewoon het liefst dat dingen gebeuren. Ook wat lelijk en wat pijnlijk is. Liever dat ze gebeuren dan dat ze in de lucht blijven hangen. Dat je je eeuwig moet blijven afvragen… Dan maak ik het liever stuk. Jij niet? Nee, zij niet. We zaten in een hoekje van een café en kwamen er voor sluitingstijd niet achter wat het over ons vertelde.

Ik heb erover nagedacht. Ik wijt het aan mijn wens een schrijver te zijn. Dat ik om te kunnen schrijven alles eerst moet voelen, zoals een kok van elk gerecht dat hij voorschotelt eerst een likje neemt. Zo tonnetjerond als koks daar van worden, zo vol zit inmiddels mijn binnenkant. Alles wat ik ooit heb gevoeld, ben ik genoodzaakt voor altijd dichtbij me houden.

Zoals dat liedje van Damien Rice, Accidental babies. Het was al mooi voordat ik wist wat liefdesverdriet was. Zo mooi dat ik nieuwsgierig werd naar hoe dat zou voelen, zo naar iemand te verlangen. Elke keer dat ik het hoorde, voelde ik angst te sterven zonder te weten hoe liefdesverdriet voelt. Ik wist dat ik het aan mezelf verplicht was me vroeg of laat in armen te storten die gegarandeerd liefdesverdriet zouden opleveren. Meer dan een likje, misschien.

Ik weet het nu. Sindsdien is het, als ik naar dat liedje luister, alsof iemand prikkeldraadje speelt met mijn organen. Vreemd genoeg ben ik er dankbaar voor. Dus nee, ik zal geen lezingen houden over de kunst van het loslaten. Maar misschien word ik wel ooit een schrijver.