Schat

Iemand zei – toen de tweede fles leeg was, de muziek me deed denken aan jou en ik brieven uit de kast tevoorschijn toverde om trots te laten zien hoe jij mijn woorden eerst had ondergehuild en daarna zorgvuldig had overgeschreven in een ontroerende imitatie van mijn handschrift – hoe kan je dit?

Hoe kan ik wat?
Hoe kan het dat je niet verdrietig bent?

Daar schrok ik van. Was er ergens onderweg iets misgegaan toen ik probeerde je voorzichtig in me op te slaan? Had ik je achteloos verraden? Al wist ik even later mijn antwoord al niet meer, ik weet nog dat het voelde als verweer.

Je ligt zo diep in me verstopt, streng bewaakte schat aan de binnenkant van huid, tweede hart dat niemand ziet. Zoals er woorden bestaan die alleen van jou zijn. Woorden die ik soms, zonder dat iemand het opmerkt, verberg in een zin. Als kleine odes, als ons geheim. En dan hoor ik je stem nog, hoe zacht je iets vroeg, of hoe je luidruchtig verslag deed van een schaamtevol moment. Dan hoor ik je lachen, en dat is genoeg.

Je bent er wel, je bent er altijd, maar steeds minder vaak in de vorm van verdriet. Eerder als troost. Als stille, vanzelfsprekende reisgenoot. Maar dit allemaal zeggen, lukte die avond niet.