Marathon: Dagboek van de week voordat

Maandag

Hoe dichter bij de dag komt, hoe dieper ik in mijn gedachten kruip. Misschien is het concentratie, misschien is het krachten sparen. Een van de weinige dingen waar men het over eens is als het lichamen betreft, is dat je er naar moet luisteren. Als het fluistert, voor het schreeuwt. Dat van mij zegt – in verschillende bewoordingen – dat het moe is. Door halverwege bladzijden in slaap te vallen, een branderig gevoel in mijn knieën en wakker te worden met een dikke keel.

Ik was nog nooit zo vatbaar voor wondermiddelverkooppraatjes, vanmorgen zwichtte ik al voor een peperduur pakje oscillococcinum. Terwijl ik het weerstandbevorderende prutje liet smelten onder mijn tong, las ik verder in mijn bolstaande bibliotheek met marathonwijsheden: ‘Let the race come to you and celebrate your finish. You only get to run your first marathon once!’

Dinsdag

Vannacht sliep ik tien uur, zonder dromen over schoenen vergeten, benen breken of verdwalen. Ik kroop al om negen uur in bed, na een diner van broccoli, zalm en zoete aardappel en een bad van olie die naar baby’s rook. Ik viel meteen in slaap, kennelijk niet gehinderd door zenuwen. Die gloeien soms opeens in mijn buik, als een slok te hete koffie.

Ik ga dat missen straks, om met de marathon als argument onfatsoenlijk veel tijd voor mezelf te nemen. Dat ik ineens zo gemakkelijk kies voor wat ik wil, wat ik genoeg vind, in plaats van te veel. Nee, ik hoef geen wijn, ik train voor een marathon. Nee, ik moet naar bed, ik train voor een marathon. Nee, ik wil geen patat, heb geen tijd, sla een feestje over, mag heus wel nieuwe schoenen. Ik ben met stip gestegen op mijn eigen lijstje prioriteiten.

Woensdag

Toen ik vanmorgen wakker werd, was het eerste wat ik mezelf hoorde zeggen: ik wou dat het al zondag was. (Ik weet niet wat me bezielde, maar ik vond dat ik het toch even moest noteren.)

Wat vervolgens een klein rondje voor de gemoedsrust moest worden, werd een nog kleiner rondje met een tegenovergesteld effect. Alsof de twijfels bij de eerste stappen als honderd wespen uit een glas werden bevrijd. Staken in mijn knieën, in mijn spieren en mijn ruggengraat. Maar dat is te voorspelbaar toch? Om in de laatste week opeens te panikeren. Het enige wat ik nu nog kan doen, is niks. Ik vermoed dat ik zelf kan kiezen of dat geruststellend of angstaanjagend klinkt.

De rest van de dag dronk ik een liter bietensap, met frambozen en citroensap erdoor, en bakte ik een bananenbrood. Ik werkte met een zak bevroren doperwten op mijn knieën en staarde naar de buik van mijn zusje. Oh wat wordt het allemaal anders straks – en wat zou ik soms de tijd heel even vast willen houden, mijn vingers tussen de spaken willen steken.

Donderdag

Ik durf het bijna niet te zeggen maar ik verheug me op de marathon. Op de uren die alleen van mij zijn. Dat gat in de tijd waardoor ik mezelf ga slepen, de halve werkdag tussen start en finish. Het bewijs dat ik zo verschrikkelijk graag aan mezelf wil leveren, de dag waar ik al zo lang naar onderweg ben. Ik verheug me zelfs op de zenuwachtige minuten in het startvak, het gehannes met gelletjes, het verliezen van mijn teennagels en het wensen dat ik er nooit aan begonnen was.

Ik dacht altijd dat ik niet zo’n vechter was, maar ik verheug me op de strijd. Ik hou van hardlopen om dat eigenaardige evenwicht tussen vrede en vechten – dat moet ik niet vergeten. Als ik het nu niet kan, dan kan ik het nooit. Ik heb alles gedaan. En, zo staat het in mijn lievelingsboek: ‘de schoonheid zat altijd al in de poging.’

Vrijdag

Vandaag sloeg de paniek toch nog toe, toen bleek dat mijn arme huisgenoot was getroffen door buikgriep en zelfs geen slokje water meer kon verdragen. Ineens voelde ik me ook niet meer zo goed, en draaide mijn maag alsof iemand had gezegd dat ik zojuist slakken had gegeten. Voor het verhaal zei ik dat ik mijn huisgenoot naar Duitsland had gestuurd. Zo ging het niet helemaal, maar hij en zijn virus bevonden zich wel degelijk al snel in Hamburg. Mijn paranoia was thuisgebleven: ik moest de buurvrouw inschakelen om me tot rust te krijgen. Stel je voor dat ik op de laatste dag nog ziek zou worden, dat alle verhalen hier, al dat schreeuwen van de daken zou eindigen in een dag in bed. De rest van de avond dronk ik cola en smaakte al mijn eten naar vergif (wat zonde was, omdat het feest was en ik at bij een van de leukste restaurants van het land).

Zaterdag

Ik werd na drie uur slapen om zeven uur wakker met een wasmachine in mijn buik. Toen ik mezelf er eenmaal van had overtuigd dat het zenuwen betrof in plaats van etenswaren, lachte ik me uit en kroop ik op de bank om films te kijken. Na anderhalve film kwam mijn zusje uit bed gerold, en vertrok ik naar deel twee van het feest. Ik liep anderhalf uur met blote voeten over een pad dat daar bestemd voor beweerde te zijn, maar de akelige kiezels, distels en stenen onder mijn tenen deden me vrezen voor mijn marathonprestaties. Om vijf uur was ik thuis, keek ik nog meer films, at ik nog meer pasta en probeerde ik nog harder om niet aan morgen te denken, om negen uur lag ik in bed en viel ik godzijdank meteen in slaap.