Marathon: Dertig

Het is maandagochtend, de trein brengt me naar mijn werk en het enige woord dat ik kan bedenken voor hoe ik me voel is: geradbraakt. Ik loop alsof ik me onder water moet voortbewegen. Ik denk alsof ik nog niet wakker ben. Ik ga schrijven alsof ik nog steeds ren.

Gister liep ik verder dan ooit. Dertig. Een mooi rond getal, een taart in happen van vijf kilometer. Vooraf was alles hetzelfde: er waren zenuwen, pannenkoeken, bananenbrood en mensen die beloofden dat ik het zou overleven. Het was net zo zwaar als alle andere keren, maar in mijn hoofd was het nu lichter.

0-5. ‘Ik loop als een mietje. Zo ga ik een heel slechte tijd lopen. Niet aan denken. Niet aan denken. Blijf maar lopen als een mietje. Blijf achter deze meneer. Zie je hoe hij zijn voeten neerzet? Zo moet je dat dus niet doen. Alles moet naar voren. Naar vóóóren. Rustig maar, rustig maar, rustig maar. Schrijf dat straks maar op: ik liep als een mietje.’

5-10. ‘Alle energie moet naar mijn benen. Niet denken. Niet denken. Zorg eerst maar dat je op de helft bent, dan praten we weer verder. Niemand weet wat voor klus dit voor mij is, behalve ik. Zou iemand nu aan mij denken? Blijf rennen achter deze mannen. Gewoon die voeten volgen.’

10-15. ‘Krijg ik nu al zere benen? Moet ik nog twee uur op zere benen lopen? En wanneer mag ik weer gewoon op asfalt lopen? Als er straks weer asfalt is, zal ik het nooit meer voor lief nemen. Dat beloof ik. Dan zal ik ervan genieten. Stomme scheve tegels. Zere knieën. Maar bijna op de helft. Bijna op de helft. Ja! Miley Cyrus! Playbacken. Bewaar je armen in de lucht gooien maar tot de finish.’

15-20. ‘Over de helft. Nu begint het pas. Het komt goed. Je bent op de terugweg. Bij het bordje met 20 kilometer mag je voorbij de heren. Rustig blijven. Geniet er nog maar even van, straks moet je alleen verder. Hee… volgens mij was ik even niet aan het denken. Maar nu dus weer wel. Is dat het bordje 20? Nee, dat is een bordje met een plaatje van een gebouw erop. Oja. Het heet de Achtkastelenloop. Ik heb nog geen kasteel gezien. Zie ik nu ergens een kasteel? Nee, ik zie alleen maar bomen en boerderijen. En twee inmiddels vertrouwde ruggen. Dat bordje kan niet ver meer zijn. Stel je voor dat ik een halve marathon liep, dan was ik nu al bijna klaar. Mooie afstand eigenlijk, een halve marathon.’

20-25. ‘Je mag er voorbij. Bedankt mannen. Ik ga op avontuur. Nu niet denken aan hoe ver je nog moet, maar gewoon steeds naar de volgende benen toe lopen. Alleen maar dat. Eerst naar die gestreepte legging toe. Mooie legging is dat trouwens. Als ik straks over de finish ben, mag ik heus wel een nieuwe legging bestellen. Misschien wel die paarse. Zou die me staan? Als ik straks bij de marathon over de finish ben, zet ik alles gewoon weer op marktplaats. Dan ga ik weer lekker op volleybal. Nog maar zeven kilometer. Dat kan je. Dat kan je. Dat is van Epse naar huis. Dat doe je zo vaak.’

25-30: ‘Stel je maar voor dat de baby is geboren. Hij is te bewonderen bij de finish. Te bewonderen en vast te houden. Aan te snuffelen. Ren er naartoe! Zorg dat je op tijd bent! Op wie zou ie lijken? Naar de finish! Ik hoop maar dat ik niet ga janken straks. Nee het gaat goed. Ik heb vandaag het hoofd van een marathonloper. Ik had al de benen, maar vandaag heb ik ook het hoofd. Loop naar de volgende benen, haal ze allemaal in! Iedereen zakt in behalve ik! Zijn dat niet de benen van Annemarie? Loop er naartoe. Hupsakee. Laatste stukje. We zijn alweer in de bewoonde wereld. Voor je het weet zit het er alweer op. Loop naar Annemarie. Ik kan niet meer roepen. Alles doet zo’n pijn. Ik weet niet of ik nog geluid kan maken. Pas als ik heel dichtbij ben, kan ik roepen. “Annemarie!” Piepstem. Ze lacht. Dit is de eerste keer in mijn leven dat ik niet in m’n eentje over de finish kom. Daar is de finish! Dertig kilometer! Jezus wat goed. Wat goed man. Je bent helemaal geen mietje.’