Marathon: Generale

In een ideale marathonvoorbereiding loopt men de langste afstand drie weken voor de wedstrijd. Dus dat deden we, samen, op een koude zondagochtend. Ik trok vesten en handschoenen aan en weer uit, zette petten en zonnebrillen op en weer af. Dronk kleine slokjes water, knabbelde aan wat druiven, schoof een koude hartslagmeter om mijn ribben en een horloge om mijn pols – die samen mijn zenuwen telden.

Ik liep en ik verbaasde mezelf met hoe makkelijk het ging. De vierentwintigste kilometer verschilde niet veel van de vierde. De dertigste niet van de twintigste. De laatste van de eerste, maar vooral omdat ik lichter was. Door mijn voedselvoorraad heen, verlost van twijfel en zorgen. Alleen nog het geluid van mijn voeten op het asfalt. Geen lawaai van longen, geen schreeuwende spieren of gedachten.

De laatste kilometers liep ik alleen. Hetzelfde rondje door het park als waar we mee begonnen waren, maar nu met veel meer genoegen. Met veel meer mensen ook – op elke vierkante meter huppelde een peuter. En alle mensen glimlachten naar mij, allemaal. Ik glimlachte terug, genoot van het geheim van wat ik aan het doen was. Dat dit mijn 36e kilometer was. Dat ik hier vanmorgen vroeg, toen u nog sliep mevrouw, al precies hetzelfde rondje liep. Dat ik een brok in mijn keel had. Dat ik een marathon ga lopen.

Mij is beloofd dat wat men zegt over een slechte generale repetitie omgekeerd niet van toepassing is. Dat er geen enkele reden is om me zorgen te maken. Men gebruikt voortdurend het woord top – dat vind ik niet zo mooi maar dat sla ik wel op. Het is nu zaak mijn goede moed drie weken te bewaken. Om het te schrappen van mijn lijst met dingen waarvan ik niet goed weet hoe ik ze vast moet houden (dwerghamsters, eetstokjes, boormachines, zelfvertrouwen).

Niet ziek worden, niet moe, niet overmoedig, niet dronken. Niet vallen, niet struikelen, niet dromen op de snelweg, niet op hakken lopen. Het moet niet opeens zomer worden, of de laatste dag van het universum zijn. Er blijft altijd wel een lijst met dingen die niet moeten gebeuren. Maar alles wat wel moet, dat heb ik gedaan. Kom maar op – ik schrijf er geen maar meer achteraan.