Marathon: Hartslag

Het kost nogal wat energie: ergens zowel heel veel zin in hebben als heel erg bang voor zijn. Dat lijkt me – naast dat ik las dat het een vergelijkbare belasting is voor het lichaam – een tweede overeenkomst met een bevalling. Om de zenuwen enigszins binnen de perken te houden, stort ik me daarom volledig op randzaken. Op nieuwe schoenen kopen, nieuwe routes zoeken, hardloopboeken lezen en duizend stukjes schrijven (die vervolgens weer sneuvelen). Het absolute hoogtepunt is echter dit: de aanschaf van een hartslagmeter.

Het gaat volledig tegen al mijn hardlooppleziertjes in. Ik ben een eigenwijze loper. Ik wil altijd sneller. De grenzen oprekken, nieuwe tijden noteren. Ik hou van intervallen en van bijna van de loopband af vliegen. Van niet meer kunnen denken en de longen uit mijn borst rennen, de zorgen uit mijn lijf krijgen. Ik hoef het maar te schrijven en ik voel het alweer wachten in mijn benen. Maar vanaf nu gaat alles anders. Vanaf nu moet de rem erop, moet ik luisteren naar een meneer die ook Sam heet.

De eerste opdracht was de leukste: mijn maximale hartslag vinden. Mijn huisgenoot voelde zich meteen geroepen, maar ik verkoos de loopband. Ik hield me precies aan de instructies: 45 minuten op mijn normale tempo, en daarna drie keer voluit sprinten. Naast me rende een meisje met 15 km/u. Dat wilde ik ook. Na drie keer een minuut keek ik op mijn horloge. Er stond een hartslag van 199. 199 slagen per minuut? De neuroot in mij wilde graag ‘de 200 aantikken’. Geen idee waarom. Niet gelukt, ook. Helaas. Maar het was een heerlijk uur. Er zijn maar weinig apparaten waar ik zo van hou als van de loopband (terwijl ik dit schrijf probeer ik te bedenken of dit waar is).

De volgende opdracht voerde ik vanmorgen uit. Het was nog heel vroeg, er was bijna niemand wakker. Ik moest een uurtje lopen met een hartslag van maximaal 160. Nou, dat is dus niet gelukt. Ik liep zo traag een slak, maar mijn hart ging te snel. En dat werkte nogal op mijn zenuwen. Ik was bang dat meneer Sam ontevreden zou zijn, dat het allemaal maar een slecht teken is, dat ik een nephardloper ben (of misschien: een sprinter). Ik raakte nog net niet in paniek. Het spreekt voor zich dat al die zorgen mijn hart ook niet bepaald tot rust brachten. Ik deed een uur lang verwoede pogingen het kloppen te vertragen, maar het lukte me slechts een paar seconden: toen ik bergafwaarts liep. En al die andere seconden dacht ik ook nog de hele tijd aan de marathon, daar wordt mijn hart ook best wel wild van.

Nu heb ik dus bewijs voor wat ik allang wist: dat dit hart onrustig is. En ook dit: dat ik niks te zeggen heb over de gedragingen ervan. In het bijzonder niet als het gaat over de regels van de mannen in mijn leven. Dat het niet luistert en altijd haast heeft. Het wil zo graag, het raast in mij. En hoezeer het mij tijdens dat prachtige rondje vanmorgen – en op vele andere dagen – ook in de weg zat, ik zou het niet willen ruilen voor een rustig exemplaar.