Marathon: Oxymoron

Het lijkt zo eenvoudig: lopen tot de finish komt. Maar zelfs nu ik allang weer thuis ben, gaat het gevecht in mijn hoofd nog door. Ik heb 27,5 kilometer hardgelopen, zonder wandelpauze, in precies de tijd die ik me had voorgenomen. En toch ben ik ergens onderweg de moed verloren.

Als ik me al heel even bijzonder waande omdat ik 27,5 kilometer ging hardlopen, was dat snel verdwenen toen ik in het startvak stond. Duizenden mensen kunnen dit. Een vrouw met benen half zo lang als die van mij, die me zo voorbij stapte. Net als een man op teenslippers, wiens kuiten bijna knapten.

De instructie was in zone 2 te lopen en dit als een ‘trainingswedstrijd’ te beschouwen. Dat is een hopeloze term voor mij. Een oxymoron, net als het woord rampzalig. Het werd al heel snel zone 4. Ik verzon steeds wel een excuus voor mijn hart dat niet tot rust kwam. De anderen, de honger, de heuvels, de laatste kilometers. Uiteindelijk bleef er maar eentje over: de ijzersterke wil om niet teleur te stellen.

Ik had me heus wel voorgenomen mijn hartslagmeter het te laten winnen van mijn wedstrijdmentaliteit, maar ik ken mezelf en had dus ook maar vast plan b opgesteld: 10 kilometer per uur lopen. In mijn hoofd geldt dat als absolute ondergrens. Daar loop ik al jaren ruim boven, ik wil er echt niet onder. In trainingen kan ik er met moeite mee leven, maar in een wedstrijd niet. Het concept ‘trainingswedstrijd’ levert dan wat problemen op.

De eerste tien kilometer gingen precies in een uur. Maar mijn benen voelden al zwaar, de moed om in te spreken raakte al op. Tussen kilometer 16 en 18 ging de weg alleen maar omhoog, en daar verloor ik een minuut op mijn zelf bedachte schema. Hoeveel pijn mijn benen ook deden, mijn maag rammelde en iedereen om me heen wandelde: die minuut heb ik later weer goedgemaakt.

De laatste tien kilometer was elke seconde een seconde waarin ik zou kunnen stoppen. Ik bestudeerde de gezichten achterin de EHBO-busjes: zag men er opgelucht uit? Biedt zo’n dekentje van aluminiumfolie troost? Dat ik bleef rennen, 3600 keer niet gezwicht ben, is eigenlijk het enige waar ik blij mee ben. Ik kwam precies na 2 uur en 45 minuten over de finish.

En daar was mama, die hoe dan ook wel trots was en die godzijdank niet meteen zei: straks mogen er nog 15 kilometer bij. Want daar moet ik niet aan denken. Daar kan ik me niets bij voorstellen. Ik voel me net als na mijn eerste halve marathon: ‘leuk geprobeerd, en nooit meer doen’.

En ja, het was mooi weer en het was een mooie route. En ik heb het overleefd. 27,5 kilometer is niet niks, er zijn nog maanden om te trainen. Maar dit is de eerste keer dat ik ├ęcht twijfel aan deze opgave. Al ruim een hele dag, en een hele nacht. Mijn benen zijn uitgebreid los gemasseerd, maar ik heb spierpijn in mijn wilskracht.