Marathon: Rotterdam 2014

Het is maandagochtend, ik kan me nauwelijks bewegen en heb echt óveral pijn. Maar ik heb een medaille om mijn nek. Gister maakte ik de zwaarste, meest eindeloze en sentimentele reis die ik ooit heb gemaakt. Ik heb 42,2 kilometer lang mijn tranen ingeslikt, zo overdonderd door alle aandacht en het besef dat dit het moment was. Ik ga bij het begin beginnen.

De eerste kilometers was ik zo gelukkig, alles ging vanzelf en er waren zoveel mensen. De zon scheen en de Erasmusbrug zag er prachtig uit met al die neongekleurde lopers voor me. Ik zorgde dat ik aan de linkerkant van de weg liep, want daar zouden mijn zusjes zijn. Ineens zag ik mijn vader al, voordat hij mij zag, waardoor ik het moment dat hij mij zag en als Willem-Alexander in Sotchi begon te klappen, volledig in me op kon nemen. Toen was het eigenlijk al goed. Alleen was er nog meer dan veertig kilometer te gaan en voelde ik door de adrenaline niet of ik eigenlijk nog wel normale mensenbenen onder me had.

Ik voelde me vooral: raar. Onwennig. Lopen voelde zo anders dan alle andere keren. Geen druk van de tijd, geen idee hoe ver ik zou komen. Geen strenge stem in me die ontevreden was over de gang van zaken. Ik liep met de ballonnen van 4.15 mee, en had zo’n 25 kilometer lang de beste tijd van mijn leven. Soms haalde ik ze even in, en fantaseerde van een sprint richting de groene 4.00 ballonnen. De trommelaars onder de bruggen waren fantastisch, net als elke keer dat ik de sliert van mensen voor me kon overzien.

Langzaam begon ik op te zien tegen de tweede beklimming van de brug, en tegen het 27-km punt waar mijn supporters stonden. Ik was bang voor tranen, voor hyperventileren, voor instorten. Op de foto’s die ze maakten zie ik nu hoe raar ik deed, mijn armen voor mijn gezicht en wanhopig doorlopen, terwijl ik eigenlijk van plan was heel even te stoppen. Maar dat ging niet, mijn keel werd dichtgeknepen en ik was er nog lang niet. Ze zagen er zo stralend uit, ik dacht dat ik misschien ook wel liever toeschouwer was dan toegejuichte.

Toen ik ze voorbij was begon het vechten. De adrenaline was tot rust gekomen maar mijn hart ging nog altijd tekeer. Niet meer razend van geluk, maar van inspanning, van bovenbenen die verzuurden en angst voor wat nog voor me lag. Ik liep niet te hard, maar mijn hartslag was wel veel te hoog. De eerste 20 km liep ik als een machine exact 10 km per uur, maar daarna raakte de benzine op. Ik werd misselijk en kon geen gelletje meer verdragen, dacht alleen maar aan water en wandelen.

Vanaf het 30-km punt, toen de ronde om de Kralingse plas begon, besloot ik mezelf een minuut wandelen toe te staan. Toen pas voelde ik hoe dicht mijn benen al bij kramp waren, hoeveel pijn alles al deed. Twaalf kilometer is nog ver, maar ik heb wel vaker zo ver met zere benen gelopen. Ik was alleen maar bang voor kotsen, voor als een zak botten tegen een hek aan zakken. Ik durfde niet te kijken naar de ingestorte mensen in het gras, wit weggetrokken in een staat tussen slapen en hallucineren. Ik wist dat ik het zou halen, maar dat ik voorzichtig met mezelf moest zijn. De tijd kon me al niks meer schelen, als ik maar pas in armen of hekken of coma zou vallen nadat ik de finish was gepasseerd.

Dat laatste rondje was eindeloos, ik probeerde te denken aan de dag dat ik hier al samen met mijn zusje was. Ik maakte oogcontact met zoveel mogelijk mensen die langs de kant stonden, alsof dat moment van gezien worden me weer een meter verder hielp. Ik probeerde te beseffen hoe weinig vier kilometer nog maar was, dat ik het zou overleven, dat ik na vandaag vakantie had, wie er stonden te wachten en oja, dat ik niet moest vergeten te genieten. Maar het enige wat ik nog kon was met mezelf onderhandelen over wandelminuten. Wanneer ik er weer één verdiend had. Na 37 kilometer, en de volgende na 40 kilometer. Ik liet nog even tot me doordringen hoe ver dat is, 40 kilometer. Verder dan ooit.

Vanaf daar moest en zou ik alleen nog maar rennen. 2,2 kilometer is niks. En er was zoveel publiek, mensen schreeuwden naar me dat ik bijna op de Coolsingel was. Rustig blijven lopen, rustig blijven lopen, het gaat echt niet meer mis als je maar rustig blijft lopen. Jasper vertelde dat iedereen tranen in zijn ogen had toen ik mijn fanclub vlak voor de finish passeerde, maar ik voelde inmiddels helemaal niks meer. Mijn keel zat dicht alsof er een sterke hand omheen lag, ik dacht ik moet genieten, ik moet genieten, dit is de finish, ik ben er, dit heet een marathon, ik ben er, ik hoef niet meer… Maar ik kon – en het spijt me voor de anticlimax – alleen maar oooooh ooooooh oooh uitbrengen. En dat duurde nog minstens een kwartier. Ik hing aan mijn zus alsof ik net een marathon had gelopen en kon, toen ik eindelijk mocht huilen nergens meer adem voor vinden.

Toen een aandoenlijke Aziaat met een beginnend snorretje een medaille om mijn nek hing voelde ik de trots wel even gloeien in mijn borst, maar de uitputting overheerste en dat doet het eigenlijk nog steeds. De honderd berichten die ik heb gekregen ontroeren me op een omgekeerde manier – omdat ik zo goed weet hoe het voelt om de bewonderaar te zijn. Maar zelf voel ik me nog steeds geen held. Ik hoop maar dat dat nog komt, want dat was toch wel het doel van deze hele onderneming. Ik heb vier uur en drieëntwintig minuten hardgelopen, met mezelf gelachen, genoten en gevochten. Het was alle maanden van voorbereiding en twijfels waard, ik ben blij dat ik nu weet dat ik dit kan. En ik moet er nog een tijdje van bijkomen, maar ben vooral ontzettend vereerd als er iemand is die dit verhaal tot en met deze laatste zin heeft gelezen. Dankjewel.