Marathon: Spaghetti

Het was op een zaterdag. Ik had de zondag ervoor een halve marathon gelopen en hoe zwaar dat ook was, ik constateerde dat ik altijd pas de laatste kilometer moe (├ęcht moe) en zeurderig word. Ongeacht de afstand. Twintig kilometer lang kan ik mezelf geen gejank toestaan, dat zou de zaken alleen maar compliceren. Ik heb alleen maar mezelf, ik moet vooruit, dramatiek kost energie.

Maar in de laatste kilometer, als ik weet wie er bij de finish staat en hoe zwaar het was, verlies ik mijn dapperheid. Dan wil ik me het liefst laten dragen. Mijn zusje stond er, mijn prachtige zusje. Niemand herkent mij van verder weg dan zij. Hetzelfde stuk weer teruglopen, ik kon me er niks bij voorstellen. Maar ik dacht opeens: dat komt omdat ik me er niet op heb ingesteld. Anders kon ik het misschien wel.

Over die zaterdag dus: ik weet niet wat er precies gebeurde, in gesprek met de marathonman, maar ik fietste terug naar huis en barstte zowat uit elkaar van enthousiasme. Een marathon lopen. Een hele winter trainen. Ineens leek er geen beter idee op aarde te bestaan. Ik zei dat ik er nog over zou denken, maar ik had de keuze allang gemaakt. Op precies dezelfde manier als ik ooit voor mijn liefde koos: dat het begin steeds verder naar voren schuift als ik eraan terugdenk, tot in de uiterste eerste seconde, nog voor het vraagteken. Ik ga een marathon lopen. Natuurlijk ga ik dat doen.

Sinds die dag had ik eigenlijk nog geen moment in overweging genomen dat ik het misschien helemaal niet kan. 42 kilometer hardlopen. Dat mijn benen gewoon niet zoveel stappen kunnen zetten. Dat het asfalt gaat draaien, of dat mijn bovenlijf nog wel vooruit wil maar mijn benen als spaghetti in kokend water glijden.

Met mijn aandacht gericht op randzaken (terwijl ik dit schrijf is er alweer een nieuwe hardlooplegging naar mij onderweg), vergat ik bijna dat het echt ongelooflijk ver is: 42 kilometer op mijn eigen benen. Maar deze week werd ik wakker. Ik liep zaterdagochtend ‘een blokje om’ met zwager T., een rondje van zo’n 22 kilometer. We liepen door bossen, door blubber en langs de ijssel recht tegen de wind in. Voor wie T. niet kent: hij heeft lange benen waarmee ie grote stappen kan zetten. Hij zei weliswaar dat ik het tempo mocht bepalen, maar ik ben toch wat te trots voor de snelheid van een slak. De route was prachtig, het licht was mooi, maar ik was pas maandagavond weer hersteld van deze exercitie.

Nog 20 kilometer erbij, ik moet er niet aan denken. Als ik ergens slecht in ben is het wel hierin: niet aan dingen denken. En toch: ik kan niet wachten.