Marathon: Voegen

Vroeger moest ik soms na de eerste helft naar bed. Dan lag ik er met grote oren in, want met wat hulp van de geluiden die papa en mama maakten, kon ik de doelpunten tellen. Ik lag in bed en zag voor me hoe mijn vader zijn fameuze sprongen maakte. Lag hij eerst nog languit op de bank, na een goede voorzet zat hij binnen een halve seconde op zijn hurken. Klaar om te springen, of de tv uit het raam te gooien.

Ik hou van sport om hoe de mensen uit hun voegen barsten. Ik hou van kijken naar gezichten, fanatieke kaken en apetrots publiek. Van de concentratie, het gevecht. Ik hou van buitenstaander zijn, van de veilige afstand tussen de tv en de tranen in mijn ogen. Want toen mijn vader kampioen van Nederland werd, was ik negen en sloot ik mezelf op in een wc om dat razende geluk te kunnen verdragen.

Maar ook als ik zelf ren, helemaal alleen ben, betrap ik me soms op zulk sportsentiment. Het knijpt onverwacht in mijn keel, wat alles behalve handig is als ik al mijn adem nodig heb. Het is geen verdriet, het is voelen waar mijn hart zit. Door iets waar ik aan denk, of door de muziek in mijn oren. Dan slaat het toe als ik mezelf moed in probeer te playbacken.

De Olympische Spelen, de dertig kilometer die ik nu kan lopen, het vooruitzicht op een nieuw seizoen van mijn zusje. Ik wil nooit vergeten hoe mooi deze dagen zijn, hoeveel geluk er in mijn vel past. Het zou me niet verbazen als ik over twee maanden over de finish kom en eruit barst.