Marathon: Zwaar

Het allerergste vind ik dit: teleurstellen. Daar dacht ik aan toen ik zondag mijn marathongenoten probeerde bij te houden. Het ging niet. De benen die voor me liepen werden steeds langer en de mijne werden steeds zwaarder. Iedereen praatte en ik ademde.

In mijn hoofd bestaat een lijstje met alle keren dat ik het deed: teleurstellen. Bijvoorbeeld toen mijn kleine neefje op mijn nek zat en ik struikelde over een stoeptegel. Of toen ik op vakantie in Frankrijk opeens alleen bleek te kunnen duiken in het zwembad waarin ik het geleerd had. Of toen bleek dat ik niet redden kon. Alle keren dat ik minder sterk was dan ik dacht.

Hoe het zondag ging: dat staat nu op de lijst. We liepen in een tempo dat gemakkelijk zou moeten gaan, dat bovendien vereist is om de marathon in de tijd af te leggen die ik maar blijf roepen. Maar het ging niet. Het zat niet in mijn lijf. Mijn hartslagmeter en mijn rode hoofd verraadden me, er kwam iemand naast me lopen. Hij riep naar de benen dat het tempo omlaag moest.

We liepen richting Olst en terug door Diepenveen en al voor we halverwege waren begon mijn gevecht. Als ik dit al niet kan, hoe moet ik dan ooit een marathon lopen. Ik wil niet meer. Ik wil naar huis en nooit meer verwachtingen wekken. Ik wil me laten vallen en nooit meer doen alsof ik iets kan wat ik helemaal niet kan.

Mijn vertrouwen is zo wankel. Het heeft nog zoveel woorden nodig. Vandaag een voortdurend herhalen van de volgende zin, die het refrein zou kunnen vormen van een liedje van Guus Meeuwis. (Ik stel me een koor voor dat het voor me zingt, bijvoorbeeld het koor van mijn oma. Ik stel me mijn oma voor die het voor me fluistert, net zolang tot ik ontspan.

Als het allemaal vanzelf zou gaan, zou het ook niet zo bijzonder zijn.
Als het allemaal vanzelf zou gaan, zou het ook niet zo bijzonder zijn.