25 kilometer in 613 woorden

Nog maar 16 dagen en dan vliegen we naar Kaapstad. Mama kan haar zenuwen al bijna niet meer in bedwang houden. Van mailtjes van de wedstrijdorganisatie krijgt ze zo de kriebels dat ze opeens geen Engels meer verstaat en alles naar mij doorstuurt met de paniekerige vraag: “Sam moeten we hier iets mee???”

Ik ben niet zenuwachtig, ik ben moe. Gek genoeg beschouwde ik de 25 kilometer die ik me had voorgenomen vooral als vorm van ontspanning. Uren de tijd om bij te komen. Uren de tijd om te denken. Een bijna overdreven lange duurloop met nog altijd in mijn achterhoofd die zin: de enige halve marathon ter wereld die voelt als een hele.

Maar op zaterdagochtend was het vlak voor vertrek toch weer zover: eerst dat dralen door de kamer. Ik kan ook morgen gaan in plaats van vandaag. Ik kan ook een klein rondje doen. Het is zaterdag wat doe ik mezelf aan. Ik kan ook in de stad gaan ontbijten. Nog een uurtje met de krant in bed blijven. Ik kan ook overdrijven. 

Waar ik tegenop zie is niet de lichamelijke inspanning, maar de confrontatie met mijn gedachten. Het contrast van een week lang lawaai naar zo’n eenzame tocht. Een stilte waar ik vlak van te voren elke keer tegenop zie: bang voor het alleen zijn, voor de uitgestrekte kilometers en het moeten vechten tegen gedachten aan opgeven.

Ik denk aan het werkwoord vermannen. Of dat ook is wat een meisje moet doen. Ik vermoed van wel. Ik stap naar buiten en het is kouder dan ik dacht. Het waait en ik heb te weinig kleren aan, zelfs handschoenen zouden geen overbodige luxe zijn. Pas na een kilometer of vijf gaat het beter. Ik ben eindelijk warm en dat is op dat moment al genoeg: dat ik, alleen, buiten in de wind, in staat ben om mezelf warm te houden.

Als ik loop denk ik nauwelijks aan de kilometers die nog voor me liggen. Ik denk en stuit als vanzelf op de dingen die me dwarszitten. Sommige liedjes laat ik zin voor zin tot me doordringen, andere gaan volledig langs me heen. Ik bewijs mezelf dat het niet eng is hier, alleen. Als ik eenmaal buiten ben dan red ik me. Als ik eenmaal begonnen ben dan lukt het me.

Als ik na vijftien kilometer bij het water ben, het strand op ren, word ik zelfs zo blij dat ik een radslag zou doen als ik dat kon. Een arabier, handstand overslag. Ik kan alleen een koprol maar er ligt net iets te veel hondenpoep. Ik ben trots. Niet zozeer omdat mijn benen me zover hebben gedragen, eerder omdat ik de bangerik in mij maar weer eens heb verslagen.

Ik loop over het strand, zo dicht mogelijk langs het water. Er rennen honden op me af, er zeggen mensen met een grote glimlach goedemorgen. Ik loop om het water heen, weersta het saunacomplex en maak het hele rondje af. Ik besluit dat ik naar mijn opa en oma wil lopen. In mijn hoofd is het inmiddels zo’n sentimentele warboel geworden dat ik om het water heen rennen associeer met iets of iemand omarmen.

Op mijn geïmproviseerde eindstation wacht me een heldenontvangst. Vijf glazen water, zoveel koekjes als ik wil, zeldzaam liefdevolle blikken en uitgebreide massage van mijn lachspier. Terwijl oma uitlegt waarom de mineola’s in de fruitschaal zijn voorzien van een met watervaste stift getekend krulletje (zodat ze ze beter kan onderscheiden van de sinaasappels), denk ik dat ik me nergens op de hele wereld meer welkom voel dan hier.