Alles eruit

Voor wie zich afvraagt of ik tussen al dat autocrossen, werken en wijn drinken door nog toekom aan hardlopen, hierbij een eerlijk antwoord: niet genoeg. De oorzaak ligt voornamelijk in kinderachtig zelfmedelijden. ‘Het is ook allemaal niet niks hè. Wees maar een beetje lief voor jezelf en stel dat hele opnieuw beginnen nog maar een poosje uit. Morgen is er weer een dag, vandaag is er Milka en Netflix.’

Dit gedrag zou ik met gemak een hele winter vol kunnen houden, ware het niet dat ik mezelf voor een aantal evenementen heb ingeschreven dit najaar. Twee weken geleden besloot ik daarom dat het hoog tijd was om weer normaal te doen, hoog tijd om weer fit te worden. Al was het maar omdat mijn broek te strak zit, hardlopen bekend staat om haar therapeutische effecten en er een voorjaarsmarathon door mijn hoofd spookt.

Zondag

Vandaag stonden er tien mijlen op het programma, bedoeld als trainingswedstrijd in aanloop naar de 20 kilometer Diepe Hel Holterbergloop, waar ik vorig jaar dit stukje over schreef. Met een ultiem slechte voorbereiding (spierpijn van de sportschool, slaapgebrek en slecht getraind) bepaalde ik in het startvak mijn tactiek: aanhaken bij iemand die eigenlijk wat te langzaam loopt, en daar minstens 10 kilometer niet voorbij gaan. Voor mijn eigen veiligheid en zoals gezegd: voor het beoogde trainingseffect.

De eerste drie kilometer hield ik me voornamelijk bezig met warm worden. Het was zo koud dat ik mijn handen op mijn rug onder mijn shirt hield. Ja, dat moet er eigenaardig hebben uitgezien. Naast me liep een vrouw die er zeer fit uitzag, sterk, en net iets te snel. Of misschien: behoorlijk veel te snel. Maar zoals dat vaker gaat, was ik mijn tactiek op slag vergeten en besloot ik bij haar te blijven. Omdat opeens het enige wat nog telde was: straks zo voldaan mogelijk over de finish.

Ik weet nog dat ik dacht: normaal gesproken zouden de eerste vijf kilometer vanzelf moeten gaan bij een wedstrijd over 16,1 kilometer. Ik ben nu al behoorlijk aan het forceren. Als dat maar goed gaat. Maar iets in mij, iets wat al maanden in de weg zit, was vastbesloten om alle energie uit mijn lijf te lopen. Om te zoeken naar de bodem, alles eruit. Alsof je, als je loopt totdat je benen gillen van de pijn, ook negatieve energie verbruikt.

Het kostte de nodige moeite maar we bleven naast elkaar lopen. Best gek, allebei zonder muziek maar zonder een woord te zeggen. Mijn adem maakte meer lawaai dan die van haar. Na negen kilometer bogen we af het bos in, waar ik beter mee overweg leek te kunnen dan zij. Ik liep bij haar weg, stampte vastberaden door de modder en had geen idee hoe ver we nog over dit pad moesten. Ik dacht: misschien kent zij de route beter dan ik en loop ik mezelf hier dood. Dat moet dan maar. Ik kon niet meer inhouden. Almaar die verbeten behoefte: alles eruit, alles eruit.

De laatste kilometers waren de zwaarste. Niet alleen omdat ze dat altijd zijn, maar ook omdat het een lange rechte weg was met de wind hard tegen. Ik wist de hele tijd dat dit zware stuk zou komen, vanmorgen fietste ik hier nog. Nu had ik overal pijn. Verzuurde benen, blaren, maar vooral: m’n rechterknie. Ik was zo vastbesloten niet in te storten, niet te laten zien dat het pijn deed, ik negeerde de knie. Had ik maar niet zo eigenwijs moeten zijn om op mijn oude schoenen te starten. Niet zeuren. En dan mijn arme benen die ik gisteren dacht te sparen door 100 lunges in plaats van 200 te doen, 50 squats in plaats van 100. Niet dus. Was ik maar een verstandig sporter.

Dat in de laatste bocht de fitte vrouw weer binnendoor stak, was een pijnlijk maar geen dramatisch moment. Er kwam een einde aan de weg en ik had mezelf verbaasd. Een wedstrijd op karakter. Van begin tot eind op het randje van wat ik kon. Van alles en nog wat overwonnen. Het was dan wel geen trainingswedstrijd (ik denk dat ik hier een week van moet herstellen) maar het was wel de optimale training van mijn motivatie. Dit is waarom ik ren. Om me na 1 uur en 25 minuten zoveel beter te voelen dan in het startvak. Bijna anderhalf uur zwoegen om de focus te verslepen van alle dingen die ik niet kan en niet heb en niet goed doe, naar de dingen die me sterk maken.

Maandag

De confrontatie van deze zondag: dat eeuwige korte termijn denken van mij. Altijd de wens om me nú beter te voelen, nú blij te zijn. Dat is ook de reden waarom ik niet kan sparen. De reden waarom dit langdurige liefdesverdriet niets voor mij is. En de reden waarom ik vrij vaak domme dingen doe.

Na de finish was ik alle pijn vergeten, maar vanmorgen werd ik wakker met het resultaat van mijn koppige kilometers: een knie waar ik niet op kan leunen. Ik besefte vanmorgen pas dat ik er dwars doorheen ben gelopen, in mijn fanatieke roes. Dat ik de signalen heb geregistreerd… en toen zo aan de kant heb geschoven. En nu ben ik dus, als wijze les, op een geheel ongelukkig moment weer vol zelfmedelijden, mank en geblesseerd.