Dag 1

Om zeven uur voor een trainingsrondje met voorzichtige blote benen verzamelen voor het hotel. Een halve kilometer later al wensen dat ik minder kleren droeg. Meer water had gedronken. Dit is klimmen dat je nauwelijks kunt oefenen. Dit is: niet vooruit denken, niet hopen dat na deze bocht de weg weer omlaag gaat, niet twijfelen. Stap voor stap, en verder niks. Echt niks.

Weer terug bij het hotel springen we met hardloopbroek en al in het ijskoude zwembad. Daar is het eindelijk: vakantiegevoel. Later halen we onze startnummers op en laten ons masseren. Met de bus rijden we een deel van de route. Mijn ontzag voor degenen die zich aan 56 kilometer zullen wagen, stijgt in nog stijlere mate dan de weg die voor me ligt. Gelukkig leidt het uitzicht een beetje af.

’s Avonds eten we grote schalen sushi en praten we over trainingsmaanden, blessures, andere wedstrijden, andere plannen. Langzaam wen ik aan al deze nieuwe mensen en begint mijn verlegenheid af te nemen. Zeg ik soms iets. Zeg ik: misschien ga ik hierna wel… en maak ik die zin zonder omwegen af. Langzaam krijg ik weer zin in wat ik zaterdag ga doen: lopen, het mooiste gevecht leveren dat ik ken. Lopen totdat ik zo dichtbij mogelijk bij mijn verste grenzen ben.

image

image

image

image

image