Ellenlang verhaal over een zeer matige halve marathon

Vrijdagavond, 20.45 (De Bilt, Utrecht): mijn reisgenoot daagt me uit mijn hardloopkwaliteiten in te zetten voor een sprint naar de dichtstbijzijnde supermarkt. We doen puberale drankspelletjes en zijn al zowat door de toch ruim ingekochte voorraad heen. “Wat zal ik meenemen dan? Smirnoff? Pisang ambon? Nóg een fles wijn?” Goddank zijn wij niet het meest besluitvaardige duo en verstrijkt een cruciaal kwartier. De voorraad bleek bij nader inzien ruim voldoende en we vallen pas in slaap als de supermarkt al bijna weer open gaat.

Zaterdagavond, 20.00 (thuis): ik kruip in bed. Samen met een dikke keel, liters snot en onverklaarbare spierpijn. Ik zie het somber in, de halve marathon die de volgende ochtend op het menu staat. Ik hoop op 12 uren slaap die wonderen gaan doen, maar die krijg ik niet. Ik krijg alleen maar meer snot. En tegenzin, heel veel tegenzin.

Als ik alleen zou gaan, zou ik vermoedelijk afhaken. Luisteren naar mijn lijf dat moe is, ziek wordt. Als ik een buigzame, overbezorgde moeder had, zou ik vermoedelijk ook afhaken. Maar die heb ik niet. Die van mij kent geen genade.

Na enig aarzelen besluit mijn trouwe buurvrouw ook aan te sluiten. In al mijn misère doe ik een uniek aanbod: laten we deze samen lopen. Dan blijf ik bij jullie. Dan maakt het niet uit dat ik 1.50 heb geroepen. Dan doe ik rustig aan en wordt vandaag voor mij een lesje verstandig zijn. Een lesje trots opzij zetten. Een gezellig uitje.

Met slappe benen sta ik in het startvak, een rommelende buik en bange gedachten. Ik houd me vast aan het feit dat ik hier vorig jaar 30 kilometer liep. Mijn moeder – zelf verkeert ze al de hele ochtend in een ongekend hyperactieve staat – doet een springerige warming up en stelt me lachend gerust: “Anders is er altijd nog de bezemwagen.”

We starten en we lopen samen. Vanaf de eerste meters gaat het stroef, maar het is mooi weer en ik bevind me in vrolijk gezelschap. Het is bovendien wel lekker rustig in mijn kop: zo zonder haast en fanatisme. Na een kilometer of tien word ik ongeduldiger. We zijn al op de helft en eigenlijk gaat het best. Als we een beetje opschieten kunnen we misschien nog onder de twee uur finishen. Zullen we een klein beetje versnellen?

Mama haakt als eerste af, niet veel later volgt de buurvrouw. Ik voel me schuldig als ik bij haar wegren, maar ik kan het niet tegenhouden. Ik moet gáán. Ik wil onder die twee uur, toch, ook al moet dat in eenzaamheid en ook al gaat dat heel veel pijn doen. De wijze les is hier, ongeveer op de helft, nu wel voorbij. Ik moet versnellen. Er zit een nogal eigenwijze vechter in mij.

Maar de tweede helft komt uiteraard veel harder aan dan de eerste helft. Recht tegen de striemende wind in nu, het hagelt en hoe sterk mijn wens ook is tegen een boom te leunen en weer bij mijn moeder aan te haken, de wens een fatsoenlijke tijd te lopen is sterker. In een roes sleep ik me van loper naar loper. Ik word niet één keer ingehaald, ik haal alleen maar in. Ik denk niet na. Ik weet dat wat ik doe hoogstwaarschijnlijk onverstandig is, maar (hier komt het – de meest tegenstrijdige bewering in dit verhaal): ik ben te moe om tegen mijn fanatisme in te gaan.

Het goede nieuws: voor het eerst in mijn leven loop ik een negative split. De eerste tien (58.34) aanzienlijk langzamer dan de tweede tien (56.24). De zestiende kilometer is mijn snelste. Maar het is niet genoeg, op het moment dat de finishboog in zicht is en een toeschouwer bemoedigend “nog maar heel even!” naar me roept, verstrijkt op mijn horloge 2.00.00. Ik finish 45 seconden later, laat me vallen tegen een hek en voel trots noch teleurstelling. Ik wil alleen maar slapen.