Niet vechten maar lopen

Wat ik mooi vind aan sporten: hoe confronterend het is. En ik denk dat ik namens meer niet al te nuchter/zelfverzekerd aangelegde hardlopers spreek als ik zeg dat je soms kunt lopen uit liefde en in serene samenwerking met je longen en benen, maar er soms ook onderweg achter komt hoe boos je eigenlijk bent en je jezelf daarmee genadeloos tegenwerkt.

De laatste tijd deed ik veel van dat laatste. Boos op de chaos, op de haast, op de angst, op hoe ingewikkeld alles was, op altijd maar al die meningen, op hoe gevoelig ik daarvoor ben, op de wereld die niet even op me wachtte, op te weinig lucht krijgen, op slome benen die niet deden wat ik wilde. Boos op alles wat er samen voor zorgde dat elke stap er een te veel was.

Hardlopen werd vechten, yoga werd janken. Een ‘high intensity training’ in de sportschool – waarbij elke spier in mijn lijf gilde van vermoeidheid, mijn gezicht paars en daarna wit werd en ik nauwelijks de tijd kreeg om te wisselen tussen springen, opdrukken en gewichten  tillen – resulteerde in de rake vraag: wat heeft mijn lichaam mij toch misdaan dat ik dit een gepaste zaterdagochtendbesteding vind?

En opeens was ik het boos zijn moe. Even uitgestreden. Ik miste de milde blik die sporten me juist ooit opleverde. Gewoon eens denken: goed gedaan. Mijn enige doel voor de Zevenheuvelenloop was dan ook – excuses voor hoe suf dit klinkt en voor wie zich op een climax voorbereidde – om onderweg een beetje lief voor mezelf te zijn.

Er waren op de betreffende dag meer dan genoeg redenen voor een slecht humeur: het regende en op de radio sprak men van de eerste najaarsstorm. De dag was uitzichtloos grijs en somber, paste bij de dagen na Parijs. De meneer met de microfoon zei dat er minder publiek dan ooit was, dat men de mensenmassa meed. We stonden bijna een uur in het startvak, voordat we mochten starten. En zeven heuvels bleken er best veel met zoveel wind, 25.000 lopers ook, men liep me voor de voeten en kwam me soms voorbij met duwen en trekken.

Maar het werd, kort samengevat, een aangename anderhalf uur lopen. Een voorzichtige wedstrijd, met de trage start die ik mijn supporters plechtig had beloofd. En met een rustig hoofd. De kilometerbordjes kwamen keer op keer verrassend snel. Mijn benen begonnen pas ruim over de helft te klagen. Dat dit geen snelle tijd ging worden, was zoveel minder belangrijk dan het comfortabele tempo waarin ik langzaam maar zeker ontspanning vond. Niet gedacht dat ik het ooit zou zeggen, maar: voor ik het wist was daar de finish.

Goed. Best wel saai hè, zo’n gemoedelijk wedstrijdverslag? Meer kan ik er niet van maken. Zal ik de volgende keer maar weer een strijd leveren van leven en dood? Lijkt me beter voor de lezer. Op 6 december ga ik deze tijd met minstens een minuut verbeteren, beloofd. Kan niet anders dan een spectaculair verhaal opleveren.