Pikermi

In de normale wereld levert het meestal wel enige bewonderende geluidjes op, als je zegt dat je een halve marathon gaat lopen. De meeste mensen vinden 21 kilometer geen kinderachtige afstand om al rennend af te leggen. Er zijn er zelfs die pleiten voor een nieuwe naam omdat ‘halve’ een nogal flauwe term is voor zo’n aanzienlijke krachtsinspanning.

In de wereld van de ultralopers gelden heel andere maatstaven. Zeggen dat je een halve marathon gaat lopen, is als zeggen dat je elke dag met de auto naar je werk gaat, een halve kilometer verderop.

In Kaapstad kan men kiezen tussen twee afstanden: een halve marathon en 56 kilometer. Hoewel veel mensen om onduidelijke redenen anders van mij verwachten, heb ik geen seconde overwogen me aan 56 kilometer te wagen. Het lijkt me geen keuze om te hoeven verdedigen, maar het ontbreekt me aan de benodigde overmoedigheid om me die afstand zelfs maar voor te stellen.

In de trainingen voor Kaapstad zijn de verhoudingen echter ongeveer als volgt: vier halve marathonlopers, vijfentwintig ultralopers. Als mama en ik op zondagochtenden aanhaken, hebben zij al vijftien kilometer afgelegd, is onze vijftiende kilometer hun dertigste. Het lukt me wonderbaarlijk goed me geen mietje te voelen tussen al dat hardloopgeweld, om te keren en mijn moeder bij te halen, in plaats van mee te strijden om de eindsprint.

Maar ondertussen raak ik in vorm en gaat rennen nu makkelijker dan slapen. Ik begin te verlangen naar een uitdaging. Een doel waar ik van wakker kan liggen, dat volledige toewijding vereist. Als ik het zenuwachtige gewiebel van mama zie, voel ik heimwee naar de bange dagen van de marathontraining. Naar mijn fanatisme, mijn bonzend hart.

Daar moet ik nog een oplossing voor verzinnen. Een alternatief. Het liefst eentje waar het getal 56 niet in voorkomt.