Toverformule

Kaapstad. Daar zouden we samen naartoe gaan. Eerst was het: als we later groot zijn. We keken naar plaatjes en we schudden plechtig handen. We wisten nog niet dat het niet vanzelf zou gaan: groot worden.

Later werd het: als je beter was. Je vroeg me een lijstje te maken van dingen die de moeite waard waren. Een lijstje om boven je bed te hangen, om je eraan te herinneren dat de categorie ‘de moeite waard’ bestond. Ik knakte bijna door mijn knieën van die taak op mijn schouders. En ik zette in blokletters bovenaan: KAAPSTAD. Dat ene woord verving de taal waarvoor we te verlegen waren. De wankele zinnen waar we niet aan durfden te beginnen. Ik wil met jou. Met niemand liever dan met jou.

Het werkte als een toverformule. Je lippen barstten bijna van hoe lang je niet zo breed geglimlacht had. We maakten alle plannen opnieuw, kwamen tot een kruising tussen de beroemde scene in Titanic en het uitzicht dat google ons bood. Hoe we daar zouden staan, straks. Als alles achter de rug was.

Ik weet niet meer waarom Kaapstad. Waarom niet New York. Waarom niet de Efteling om te beginnen. Hoe groter het plan hoe beter, denk ik. Later kroop de romantiek erin omdat het óns plan was. Maar ik weet niet meer waarom. En ik kan je niets meer vragen. Ik ben de conservator van onze conversaties en ik zal er maar gewoon een mooi verhaal van maken, goed?

Ik dacht er niet meer aan. Ik dacht aan jou en aan duizend dingen, maar niet meer aan dat dwaze plan dat we ooit samen maakten. Ik wilde naar New York, naar Kopenhagen, Vancouver en Stockholm. Kaapstad stond niet langer bovenaan de lijst. Maar soms komt er iets voorbij dat van alle kanten klopt. Een nieuw plan dat zich nestelt in je onderbuik, en dan heel hard rondjes gaat draaien. Ik wil dit. Ik wil dit om de eenvoudige reden dat ik het dan maar voor ons beiden moet doen, leven. Voor ons tweeën tegelijk.