Weekend (14)

Vanmorgen stond mijn hoofd al minstens een half uur aan, toen ik voor het eerst aan de hardloopwedstrijd dacht. Zoveel nonchalance, ik schrok ervan. Vroeger hield een naderend hardloopevenement me weken, zo niet maanden van te voren bezig. Soms kon ik er de nacht ervoor amper van slapen.

De ochtend bestond uit rituelen, dat dan weer wel. Pannenkoeken, bietensap, dralen, een muzieklijst maken. Maar even later vroeg iemand wat vandaag mijn streven was. Toen hoorde ik mezelf het volgende zeggen: ‘Ik hoop eigenlijk vooral dat ik het leuk vind onderweg.’

Toen schrok ik pas echt. Dit ben ik niet. Dat kan niet. Paniekerige analyse volgde. Waar zijn mijn zenuwen? Waar is mijn fanatisme? Ben ik geen echte hardloper meer? Hoe kan ik er ooit nog over schrijven als ik opeens zo achteloos ben? Waar is de liefde gebleven?

Die is er nog, wist ik meteen. Misschien wel meer dan ooit. Of is dat juist het antwoord? Vlak voor de start besefte ik eindelijk waar het me aan ontbrak: bewijsdrang. Dat wat ik met lopen altijd zo graag wilde zeggen, tegen iedereen maar vooral tegen mezelf, hoeft niet meer zo nodig gezegd. Ik vraag me niet meer voortdurend af of ik sterk ben. Of ik mezelf er doorheen kan denken. Dat kan ik. Dat voel ik. Het gevecht is voorbij. Saai hè?

En toch werd er – goddank – na een paar kilometer iets in me wakker. De o zo vertrouwde behoefte om tot het uiterste te gaan. De grens te zoeken. Zodra ik dat voelde, besloot ik er naar te luisteren. Opgelucht dat het nog ergens zat. Versnellen, zigzaggen, twijfelen of dit tempo was vol te houden. En elke kilometer liep ik precies de tijd die naar de magische vijftigminutengrens zou leiden. Dan een paar seconden eronder, dan een paar seconden te traag. Het hield niet over, maar het ging. En ik wilde opeens zo graag. Het kostte al mijn energie en concentratievermogen, maar ik beet me erin vast. Oude, vertrouwde zinnen draaiden rondjes in mijn hoofd. Tanden op elkaar en zo hard als je kan. Punt uit. Zielig doe je later maar.

Finish in mijn achtertuin. 49.52 zei het horloge. Ik zocht een hek, liet me er tegenaan vallen en nam een ruime minuut de tijd om mateloos voldaan te zijn. Wat een mooie wedstrijd. Wat een mooie sport. Toen sprintte ik naar mijn publiek om samen op mama te wachten. Voelde meteen de hoofdpijn komen: de hoofdpijn die betekent dat ik geen seconde sneller had gekund. Die het schrijven van dit stuk bijna onmogelijk maakt. Maar om het verhaal rond te maken: 50.11 zei de officiële tijdwaarneming. En dat het voldane gevoel daar niet minder van wordt, past natuurlijk precies in mijn nieuwe hardloopbeleving. En hoe mooi dat dan altijd met de rest van het leven samenvalt. Wat een bevrijding – nieuw begin.