Taalergernissen (1)

Ik heb het plan opgevat voortaan met enige regelmaat mijn taalergernissen te delen, ter compensatie van al mijn gewauwel over de liefde de laatste tijd. Hierbij lijstje nummer 1.

  • De woordcombinatie hard-van-stapel. Een semi-onschuldige vraag met daarin een niet al te subtiel oordeel verborgen. Maar hallo, hoe moet je dan van stapel, behoedzaam? Dat is niet voor niets geen uitdrukking. Dat is voor mietjes. In de liefde wordt er nu eenmaal hard van stapel gelopen. Dat lijkt me maar goed ook, dat lijkt me de norm. Anders werd er nooit meer een mooi liedje geschreven.
  • Het moment waarop een voormalig ik-hou-van-je-zegger overstapt op ‘ik geef om je’. Brrr. Zeg dan maar liever niks.
  • Dat mensen met vulling tegen mij het woord mager mogen zeggen, maar dat ik dan eigenlijk niet geacht word het woord papzak terug te zeggen.
  • Het woord zelfmoord.
  • De volgende zin in het liedje ‘Laura’ van Jan Smit (want: hoe dan? Hoe ruikt dat dan? Naar zweet?): ‘De geur van grootse moed, stroomt nog door haar bloed.’
  • Dat er geen toereikend Nederlandstalig equivalent is van het Engelse ‘I can’t get my head around it’, aangezien ik dagelijks behoefte heb aan een dergelijke uitdrukking.
  • Tot slot: onterecht gebruik van ‘wilt’ in plaats van ‘wil’. ‘Ik weet niet of hij dat wel wilt’. Of, ook vaak gehoord: ‘Ik weet niet als hij dat wel wilt’. Daar krijg ik nou jeuk van in mijn oren. (Wat ik dan wel weer heel leuk vind, zijn woordvergissingen die verband lijken te houden met betekenis. “Rontonde”, “Intree”. Dat soort taalgenot vraagt om toekomstige lijstjes.)