Dun

Als ik te dunne meisjes zie, denk ik aan jou. Aan de kleren die je in zoveel maten had, dat je een winkel kon beginnen. Hoe je al die maten over elkaar heen kon dragen, en dan nog niet warm werd.

Aan het wasrek boven het trapgat hingen spijkerbroeken te drogen van de meisjes op de andere kamers. Als ik niet kan slapen, zei je, loop ik soms heel zachtjes naar de gang. Dan pak ik natte spijkerbroeken van het rek en die doe ik stiekem voor de spiegel aan.

Natte spijkerbroeken zitten toch altijd te strak, zei ik. En je glimlachte op je allerzachtst: ‘dat soort dingen vergeet ik altijd ’s nachts.’

Als ik te dunne meisjes zie, denk ik aan redden. Maar je was in zoveel stukjes aan het vallen, daar had ik nooit genoeg handen voor. En met de handen die ik had, wist ik me geen raad. Er waren kermisattracties waar we enkel kaartjes voor kochten zodat we zonder dat het raar was, tegen elkaar aan konden schuiven in de bochten.

Als ik te dunne meisjes zie, denk ik aan wegrennen.