Achtentwintig

Straks zal je zien dat het allemaal ergens goed voor was. Dat dit gevecht nodig is om ruimte te maken voor een leven waarin ik veel beter pas. (juni 2015)

Een jaar van grondige reorganisatie, zullen we maar zeggen. Of, wat ik ook wel een geschikte formulering vind: een jaar waar ik langzaam in moest groeien. Pas vlak voor het erop zat, paste ik erin. Maar het is gelukt hoor, danku, ik ben er. En ik had de onzachte weg naar vandaag niet willen missen – hoe Kelly Clarkson-achtig dat ook mag klinken.

Het hele jaar werkte ik – soms een paar weken niet, soms drie halve nachten na elkaar – aan een document met de titel ‘achtentwintig zijn in achtentwintig vragen’. Vanzelfsprekend met een veel te persoonlijk resultaat, maar (dat je het even weet) het bestaat. In de openbaarheid deel ik echter liever enkele wijze antwoorden dan alle radeloze vragen. Achtentwintig vragen, vijf antwoorden. Prima score, dacht ik zo.

  1. Ik ben geen onmogelijk tevreden te stellen monster

De dingen die je jezelf vertelt om maar binnen de lijntjes te blijven. De dingen die je jezelf vertelt en die je pas bij de 762e herhaling tot je door laat dringen. Hoe genadeloos dat toch kan zijn, geen zinnen die je tegen je beste vriendin zou zeggen. Ook niet tegen je slechtste, geloof ik.

Waaronder dit dus: dat ik een lastig mens ben. Prinsesje nooitgenoeg. Met een hoofd dat moeilijkheden creëert, omdat het anders maar saai wordt. Is niet zo. Die meedogenloze dame in mij, ik weet niet waar ze vandaan komt en waarom maar ze heeft het mis. Ik hoef alleen maar thee en een boek en iemand die er is.

  1. Er is meer tijd en ruimte dan ik soms denk

De combinatie ongeduldig & niet-al-te-optimistisch is niet altijd even aangenaam. Ik wilde dat morgen alles weer goed was. Voelde zo zonde van m’n kostbare tijd: elke dag een baksteen in mijn buik. Maar hoe ik ook schreef of zoende of nachten voorbij liet gaan, ik kreeg ‘m er niet uit.

Ik schreef: In liedjes noemt men dit / er dwars doorheen gaan. / Dat vond ik altijd klinken / als iets wat ik wilde, ooit. / Een reis die je heelde, een ziekte / waar je langzaam van genas. / Maar het voelt helemaal niet / als ergens doorheen gaan / het voelt als muurvast.

Nu ik de boel een beetje kan overzien, kan de dramatiek hiervan op zich wel worden bijgesteld. Dit was echt wel een reisje. Of misschien: een barre tocht waar marathons bij in het niet vallen. Dus ook hier: ik had het mis. Maar het klonk goed en er zat klankrijm in, wat voor iemand met schrijfambities toch ook heel waardevol is.

  1. Geluk zit niet aan de buitenkant

Misschien wel de belangrijkste. In m’n oren knopen. Of beter: in m’n hersens.

  1. Onafhankelijkheid is fijn, maar niet zaligmakend

Ik dacht dat dat het doel was: zo onafhankelijk mogelijk zijn. Alles zelf kunnen. Niet zo gek denk ik, hoe dat een ingewikkelde houding ten opzichte van de liefde oplevert. In de wachtkamer van de tandarts scande ik de cover van psychologie magazine: ‘inzicht in je hechtingsstijl’. Het vermijdende soort blijkt neer te kijken op afhankelijkheid en een zelfvoorzienend leven te idealiseren. Dat voelde als de juiste diagnose.

Want leunen op vriendinnen, a la. Papa en mama nog steeds voor 976 dingen nodig hebben, op het randje. Maar een man? Dat was ik toch echt niet meer van plan. Dat zou een moeizame toestand worden, als ooit nog iemand zich aandiende om zich aan me te wagen. Ha. Moet je me nu eens zien. Alles uit handen in z’n armen, als was het de eerste keer. Maar dan wel in die van de alleroprechtste man op aarde, dat scheelt dan weer.

  1. Het komt in orde

Heus. Daar is tijd voor uitgevonden. En chocola. En, zie je wel, de medemens.

En als je soms op pauze moet, of moet reorganiseren, kluizenaren, heroverwegen, panikeren, met je hakken in het zand en met je hoofd in het kussen, dan mag dat gewoon. En als het dringend voelt dan mag het allemaal tegelijk, alle gedaantes van chaos dwars door elkaar. Kan je wel, ben je sterk & wijs genoeg voor. En je leert er zoveel meer van dan van een koersvast jaar.