buik

 

Vind je me nu een rotzus, vroeg ze zonder vraagteken, in een bui die paste bij een vroege zwangerschap. Natuurlijk niet, zei ik, getroffen door de vraag. Hoe meer baby’s hoe beter.

En kamde zachtjes met mijn vingers door de haren van de jongste, als strepen onder de zin.

De volgende keer wil ik een lentekind, had ze gezegd, hoogzwanger in de zomer. De dochter onder mijn hand diende zich keurig aan in maart – op de eerste dag zonder een winterjas.

In de buiken van mijn zusjes groeien baby’s – als was het de volstrekt vanzelfsprekende gang van zaken die het vermoedelijk ook is. Ik weet het niet. Maar honderd vragen van de wereld verder, grapjes, medeleven, goedbedoeld advies, wat al niet meer, heb ik de strategie bepaald.

Glimlachen, gul maar niet te, te hard wordt ook weer tragisch.

Niet zeggen: in die van mij groeit ruimteloze angst.