Hangmat

De een ontdooit wat sneller dan de ander. Maar we moeten toch ten minste een manier verzinnen om ook zonder wijn te durven zeggen dat een van de twee hangmatten uitvouwen misschien wel genoeg is, vanavond.

Alles is een kwestie van durven. Zoals papa vroeger naar de duikplank schreeuwde: steeds maar net niet durven kan geen uren duren. Dan vormde zich een rij, een ongeduldig medemens dat zijn been uitstak. Dan kwam de badmeester al, het zwembad sluiten, een luidspreker die het moment in stukjes brak.

En hoe dat voelde als opluchting dan, dankbaar uitademen, alsof iemand ons kwam redden uit een radeloze context. Want jij en ik, we zijn zoveel, zo vol, maar niet zo van het durven. We dralen hele dagen. We weten ons amper raad met voeten die moe zijn. Of schouders die kraken. Met antwoord op vragen.

We wachten tot we niet meer zeker weten wat we zeggen en wachten tot we denken dat de ander heel even niet oplet. Zinnen die als verlegen kinderen net zo lief onopgemerkt blijven. Want pas als er iemand nauwelijks luistert, ondertussen opruimt of met apparaten in de weer is, vinden we ruimte voor wat we in ons hoofd bekentenissen noemen.

In codetaal die zelfs jij en ik – de bedenkers ervan – maar voor de helft begrijpen, lijken we ons bij het onvermogen neer te leggen. Voor elke sprong die we zouden kunnen wagen lijkt het steeds net te gevaarlijk, komt elke nuchtere ochtend te vroeg. Met gespannen spieren laten we het stille donker voorbij gaan, we vinden het leven al onoverzichtelijk genoeg.