Ja

(Speech op de bruiloft van Francis & Jeroen, 12 november 2016)

Het was een zondagmiddag in de zomer en we liepen met minder haast dan op de meeste dagen. We waren onderweg naar het station, zouden ons dan weer van elkaar losmaken. We hadden thee gedronken, taart gegeten en ondertussen de zoveelste dappere poging gedaan ons persoonlijk record bijpraten te verbreken. Het leek gelukt. We liepen en we waren zeldzaam stil. In ons zwijgen zat tevredenheid. Het leek de slotscène van een film.

Het begin zou de brugklas zijn, waarin we elkaar zo achteraf gezien ontroerend snel hadden gevonden. Als dramatische openingsscène zou de donderdagmiddag met het dagboek, het touw en de baksteen vermoedelijk het meest geschikt zijn. Twee meisjes van dertien die het aan gevoel voor theater niet ontbrak. Met diep doorvoelde ernst lieten we de woorden die waren besteed aan de jongen wiens naam zo mooi allitereerde maar die desondanks geen begenadigde tongzoener bleek, naar de bodem zinken. Daarna lachten we en proostten we met hoorntjes Talamini-ijs. Eerste overwinning op de mannen.

Hoe de film vervolgens zou verdergaan, daar heb ik de afgelopen weken duizend zinnen over geschreven en toch weer weggedaan. Wat ik wil zeggen en hoe ik je zie, dat past niet in fragmenten. Over je schaterlach, talent voor troost, talent voor dingen zeggen die helpen, talent voor talent, over je scherpe blik en hartveroverende openheid heb ik uiteindelijk niets geschreven. Sommige dingen passen nergens in, behalve in een leven.

Ik ben ooit een vriendin verloren en een van de meest bevreemdende dingen was dat ik opeens de drager van onze gedeelde herinneringen was geworden. Alsof die jaren lagen opgeslagen in een ruimte voor gezamenlijk geheugen, maar dat we door haar vertrek op huur van die ruimte opeens geen aanspraak meer maakten en alles daarom zonder aankondiging en zonder genade over mij werd uitgestort. Dat ik moest vangen wat ik vangen kon en opslaan wat ik opslaan kon, omdat er verder niets of niemand meer was om dat te doen.

Wat ik zeggen wil, en dan wil vragen: jij bent mijn back-up. Van de film van ons samen, maar ook op alle andere dagen. Zullen we dat blijven? Of we nu trouwen, tevreden zijn, boos zijn, moe, teleurgesteld of druk zijn, steeds saaier of juist steeds experimenteler, of we nu hollen of stilstaan, oud en cynisch worden of juist toegeeflijk en nog emotioneler: alles mag. Behalve weggaan.

Toen we daar zo liepen in de zon, kwam het me voor alsof de aftiteling al over onze achterhoofden rolde. Daar dacht ik aan en dat zei ik hardop. Toen zei je, m’n allerliefste, altijd wijze, zo scherpzinnige vriendin: “daar vergis je je in.” Je leunde met je schouder tegen die van mij en zei: “Dit is juist nog maar het begin.”