Notaris (2)

Nog een week en dan mag ik naar de notaris. Precies een jaar na mijn vorige bezoek, maar deze keer om iets te winnen in plaats van te verliezen. Het was fijn geweest als iemand me dat vorig jaar had kunnen vertellen, bij het wegfietsen misschien. Een hand op mijn onderarm, een geduldig wachten tot ik – met tranen en al – weer bereid was in ogen te kijken. ‘Hee soesa, met je kwaaie verdriet, binnen een jaar ben je hier alweer terug. Zelfde fiets, zelfde jas, zelfde vrije middag en nog net geen lenteweer, zelfde angst om alles fout te doen. Maar dan om een huis te kopen. Jij ja. Helemaal zelf. Helemaal zoals je het wilt. Je mag best nog even treuren, voelen wat je verliest, maar bedenk alsjeblieft ook alvast welke kleur je op de muren wilt, welke foto’s in lijstjes, welke kruiden op het balkon.’

Wat wél gebeurde, was dat mijn zusje thuiskwam met een fietspomp, omdat ik de avond ervoor had gejankt in de vensterbank en daarbij voor de zoveelste keer had gezegd dat ik het me allemaal zo anders had voorgesteld, dat ik niets had behalve een fiets, en toch op z’n minst had verwacht dat ik als ik bijna dertig was mijn banden niet meer zou hoeven oppompen met de pomp van mijn ouders, omdat ik zelfs die niet zelf had. Hoe lief dat van haar was.

Ik zou niet durven zeggen dat alles een jaar later helemaal anders is. Een bezoek aan de notaris is nog steeds een angstaanjagend iets. Ik barst nog steeds niet van vertrouwen, hooguit in vlagen, ik heb nog steeds alleen een fiets. Mijn zusje nam de pomp mee naar haar nieuwe leven en er is zelden zowel voor- als achterlicht. Maar over een week is er wel dit: een eigen huis. Inclusief parkeerplek voor mijn imaginaire auto – die ik zou hebben in het leven dat ik mezelf als kind had toegedicht.