Redden

1.

Het onweert en ze liggen onder open ramen in haar bed. Michiel eet half ontdooide frambozen uit een doosje, het enige voedsel dat hij kon vinden. De eerste vier legde hij op Sara’s buik voordat hij ze at, maar nu maakt hij het doosje leeg alsof het een zak chips is. Er is een woord voor hoe hij languit in haar bed ligt, denkt Sara: prinsheerlijk. Alsof ze zich al die jaren heeft vergist toen ze dacht dat iedereen een eigen bed had.

Hij strekt zich uit over haar heen om bij de afstandbediening te kunnen, alleen met zijn knie raakt hij haar aan. Een knie is misschien wel het enige lichaamsdeel waarmee je een ander onmogelijk liefdevol kunt aanraken, denkt ze.
‘Ik zet een film aan, kijk je mee?’
Ze legt haar hoofd op zijn schoot, met haar gezicht in de richting van de tv, bij wijze van antwoord. Ze denkt aan de finale van morgen, aan Arjen Robben en het gewicht dat op zijn schouders drukt.
‘Als ze morgen winnen, zal je nooit vergeten waar je was vannacht,’ zegt Sara. En ze zegt het vooral als mooie zin om te onthouden.
‘Misschien wil ik morgen wel weer bij je slapen,’ zegt Michiel, en hij knijpt met zijn hand in haar nek. Hij kent inmiddels de gebreken van Sara’s dvd-speler en duwt met zijn andere hand tegen het schijfje tot het uit zichzelf blijft draaien.
‘Misschien,’ zegt ze. Ze probeert zo ongeïnteresseerd mogelijk te klinken. ‘Ga je niet naar Amsterdam?’
‘Ik denk het niet. Misschien later, naar de huldiging,’ zegt Michiel terwijl de lucht boven hen weer begint te rommelen. Hij weet heus wel dat Sara het liefst elke nacht met hem in een bed zou liggen, maar hardop zeggen mag ze dat niet. Michiel trekt zijn grenzen op vreemde plekken, zoals haar moeder vroeger de zee wel in ging, maar haar oren niet nat wilde laten worden. Sara is het soort meisje niet om dan heel hard te spetteren. Met haar vingers als spinnetjes kruipt ze tussen de haartjes op zijn schenen door. De mooiste mannenbenen die ze kent. Voetbalbenen. In dit verhaal is het de prins die slaapt en maar niet wakker wil worden, denkt ze.

‘Welke film is dit?’ vraagt Sara.
‘Braveheart. Mooie film.’
Ze wil in slaap vallen, laten zien dat ze kan slapen als hij er is. Ze denkt aan wat hij woensdag zei, dat ze op de wachtlijst staat. Sara had gevraagd of hij even naar de supermarkt wilde gaan, ze had die nacht overgegeven en voelde zich nog ziek. Maar toen er een korte stilte viel had ze al snel gezegd: ‘Laat maar, dat zit natuurlijk niet in het pakket.’ Michiel had geantwoord dat ze op de wachtlijst stond, als eerstvolgende, voor het premiumpakket. Hij gaf haar grijnzend een kus en liep de kamer uit, terug naar zijn eigen studentenhuis. Op de eerste avond dat Sara daar aanbelde, dronken ze rode wijn en keken ze naar The Lion King. Ze weet nog dat ze met blote benen op de plakkerige leren bank zat en zich niet durfde te verroeren. Ze draaide haar hoofd niet een keer naar links, alsof er geen zuurstof zou zijn in de lucht tussen hen in. Maar Michiel deelde toen al geen van haar bezwaren, hij schoof steeds dichterbij. Vlak naast de bank stond een bed, dat is het verraderlijke aan studentenkamers. Zelfs nu ze voor de duizendste keer aan die eerste avond denkt, gaat het nog gloeien in haar buik.
‘Weet jij nog waarom we die eerste avond eigenlijk The Lion King keken?’
‘Die had ik nog nooit gezien,’ antwoordt Michiel, ‘en volgens mij wilden we eigenlijk Stratego spelen, maar had ik dat toen uitgeleend. Hoezo? Was je liever meteen in bed gaan liggen?’ Ze lacht en draait zich om, kijkt in zijn klaarwakkere ogen.
‘Liever had ik dat hele gedoe in bed overgeslagen en was ik meteen bij de thee begonnen,’ zegt ze, en ze ziet dat Michiel heel even aan dezelfde scene denkt als zij.
‘Over thee gesproken, heb je nu eindelijk al eens zoethoutthee aangeschaft?’ Hij wint altijd, de koning van de koetjes en kalfjes.

De film gaat van oorlog naar liefde naar oorlog. Sara glimlacht om de glanzende spierballen en overdreven Schotse accenten. Michiel gaat met lange pauzes met zijn hand door haar haren, ze wacht steeds op het landen van zijn vingers. Dan doet Mel Gibson een deur open en erachter hangt een man aan een touw. Sara knijpt haar ogen dicht en schrikt van wat er in haar lijf gebeurt, de plotselinge paniek onder haar huid. ‘Wil je het zeggen als ik mijn ogen weer kan opendoen?’ piept ze. Alsof doodgaan betekent dat je je gewicht verplaatst naar bovenop de borstkas van de mensen die je missen. Er gaan minuten voorbij waarin ze denkt dat Michiel op zoek is naar iets passends om te zeggen, een gebaar van troost dat precies het juiste formaat heeft. Want hij moet toch merken dat Sara de beelden niet verdraagt, voelen hoe ze nat wordt van het zweet. Al veel te snel gaf ze hem haar verhalen cadeau, het verse verdriet dat hij bijna tegelijk met haar strakke spijkerbroek van haar af stroopte. Sara vergeet nog steeds adem te halen, schuurpapier dat over haar longen gaat. Net als ze niet meer wacht, als ze haar ogen voorzichtig weer open heeft gedaan, vraagt Michiel: ‘Zit er nog Taksi in het pak?’

2.

Samen met haar collega’s fietst Sara naar het plein waar ze naar de wedstrijd gaan kijken. De hele dag serveerden ze oranje pannenkoeken met mandarijntjes en abrikozen, maar al uren voor sluitingstijd waren er geen gasten meer. Sara heeft oranje haren en roodwitblauwe lippenstift op. Op haar bovenarm heeft Frank een voetbal getekend met daaronder de woorden ‘I love Robben’. Het is warm en Sara is stil. De rest van het gezelschap trapt zo uitgelaten dat hun sturen voortdurend bijna in elkaar haken. Sara denkt aan een van de eerste dingen die ze deze winter constateerde: wie dood is maakt het WK voetbal niet meer mee. Zou de oranjevreugde haar ook hebben aangestoken? Zou elk doelpunt voor een glimlach hebben gezorgd?
‘Sara, wat fiets je hard! Ben je bang dat je het Volkslied mist?’ Frank komt naast haar fietsen en spreekt haar toe door zijn oranje toeter. ‘Zo! Die lippenstift! Daar kan je de hele avond zeker niks mee drinken.’
‘En vooral niet mee zoenen!’ roept ze terug.
‘Komt die sukkel met z’n veel te diepe v-hals niet vanavond?’ vraagt Frank. ‘Of probeer je alvast uit te sluiten dat ik straks een poging waag?’
‘Allebei,’ antwoordt Sara, en de glimlach blijft nog even op haar gezicht plakken.

Op het plein neemt ze toch een plastic beker met bier aan, niet omdat ze het lekker vindt, maar omdat ze een meisje wil zijn dat biertjes drinkt. Ze neemt kleine slokjes en probeert zich te concentreren op de gesprekken om haar heen, op Lieke die met een slungelige jongen in discussie is geraakt over vrouwen en voetbal. Ze staan vlak voor het scherm, het is zo druk dat er voortdurend lijven langs haar schuiven. Sara speurt tussen de mensen naar het hoofd van Michiel, het vrolijke overslaan van zijn stem.
‘Ik ga niet eens aan je uitleggen wat buitenspel is. Ik weet het wel, maar ik hoef het niet zo nodig te bewijzen,’ hoort ze Lieke zeggen, die een fanatieke uitdrukking op haar gezicht heeft gekregen. De jongen lacht en zegt dat ze dan vast ook wel weet hoe de keeper heet.
‘Wie bedoel je, Casillas of Stekelenburg?’ reageert Lieke meteen. Frank slaat lachend een arm om haar heen. ‘Zullen we nu voetbal gaan kijken, schatje?’
Ook Sara vestigt haar aandacht op het scherm. Ze voelt de spanning in haar buik en gaat even op haar tenen staan, alsof de onrust er dan via haar hakken uit kan. Ze vraagt zich niet af of het door de finale of de nabijheid van Michiel komt.

Bijna drie uur later verlaten de mensen het plein via slingerende straatjes, als bloed dat uit een hart wordt gepompt. Op de stenen liggen plastic bekers en oranje prullaria. Tegen muren zitten mensen die de gewichtige gebaren van voetballers imiteren. Sara doet haar sandalen uit en loopt op blote voeten naar huis. Ze beschouwt het verlies van de nationale ploeg als een bevestiging van hoe ze het moet zien met Michiel en haar. Een verloren finale. Een jammerlijke poging, gewaagd op het hoogste niveau. Hoe ze elke keer blijft denken dat het er nog in zit, dat het beeld nog zal kantelen, terwijl de mensen op de tribunes het stadion al hebben verlaten. Troost die je zoekt bij de verkeerde man, de stralende lach die niets met jou te maken heeft. Michiel of Arjen Robben. Troost die, als je niet oppast, wordt gemengd met nieuw verdriet. Verlies waar je je bij neer dient te leggen zonder over te gaan op vandalisme.

Sara kruipt in bed zonder de verf uit haar haren te wassen, zonder de biersmaak uit haar mond te poetsen. Ze vouwt haar armen om haar knieën. Lieve lieve lieve Sara, fluistert ze onder het laken. Het leven wordt nog zoveel beter dan je je voor kunt stellen. Het is het standaardzinnetje waarmee ze de hand van haar keel krijgt. Ze zet haar telefoon uit en denkt: als ik de deurbel uit kon zetten, dan deed ik het nu. Een uur later, ergens tussen dromen en denken, gaat de bel ongenadig hard. Michiel, denkt ze, en ze voelt haar lichaam wakker worden. Ze reageert op de bel als op de zoemer uit de keuken van het pannenkoekenhuis. Lopen. Voordat ze bij de voordeur is moet ze twee trappen af, met haar blote voeten over de stoeptegels, langs de fietsen in het gangetje. Ze kauwt op de smintjes die ze naast haar bed had gelegd, voorbereid op dit nachtelijk bezoek. Ze trekt de hals van haar shirt omlaag, over haar schouder. Ze denkt: misschien kunnen we wel in bad gaan, misschien heeft hij weer rode wijn meegebracht.