Vergissen

Ik deed maar wat, het had nog het meest weg van vluchten, en toen waren er mensen die zeiden dat ik stoer was. Dapper. Dat lang niet iedereen de dingen die ik deed zou durven.

Ik kroop in bed en dacht dat stoer toch anders moest voelen. Beter. Met een glimlach je spierballen laten zien. Iets met macht en triomfantelijkheid. Niet iets wat in de weg zit, op vrijdagavond. Niet iets wat maakt dat je liever geen kamers binnenkomt waar mensen zijn.

En toen luisterde ik naar een liedje waarin iemand zong dat het knap was om je te durven vergissen, en toen dacht ik: maar als je goed oplet, als je iets langer kijkt, zie je misschien dat ik de meeste dingen die ik durf, maar één keer durf.

Achtbanen bijvoorbeeld. Meedoen aan een verhalenwedstrijd. Van de hoogste duikplank springen. Een marathon. Een naaktslak op mijn wang. Iemand proberen te redden. Met mijn hand in het water de rug van een platte vis aanraken. Rouwen. Weglopen. Olijven proeven.

En of je het dan nog stoer mag noemen. En wat je er dan eigenlijk aan hebt. En of het misschien zo zou kunnen zijn, dat het ook nu het geval is: dat ik het maar één keer durfde. Springen, me met m’n hoofd als eerste ondersteboven laten vallen, armen op m’n rug – maar één keer met alles, mijn naakte gewicht, zonder voorbehoud, zonder haarlak, met snot en al het andere wat er uit je zakken tevoorschijn komt als je je op de kop in de liefde stort. Ik denk het wel.