Weekend (45)

Vorige week, op de verjaardag van mijn oma, verzochten twee lieftallige nichtjes om meer weekendstukjes. Daar staan ten minste niet van die onbegrijpelijke woorden in, riep een van de twee. Omdat ik hen nooit iets kan weigeren, toch maar een stukje over dit weekend. Al zal het een zware opgave worden de schoonheid ervan vast te leggen – en heb ik eigenlijk mijn kruid wel zo’n beetje verschoten met het geploeter op de speech van zaterdag.

  • Toen ik vrijdagmiddag naar huis fietste, was dat in een staat van ‘één-verkeerd-woord-of-een-apparaat-dat-even-niet-meewerkt-of-een-bril-die-beslaat-omdat-ik-nu-eenmaal-moet-ademhalen-ook-als-het-zo-steenkoud-is en alles stroomt over’. Wat zich in mijn geval niet zozeer uit in een woedeaanval, maar eerder in tranen. Tot aan de rand toe vol met stress en zorgen.
  • Er is iets wat daartegen helpt, maar dat is het tegenovergestelde van waar je op dat moment zin in hebt (op de bank onder een dikke deken televisie kijken en koekjes eten). Om je dan toch in je hardloopkleren te hijsen, dat vergt, zeker op een donkere vrijdagavond, nogal wat doorzettingsvermogen. Maar (om het dralen even over te slaan)… na een paar kilometer werd ik warm en was ik mezelf dankbaar. Fascinerend hoe het werkt: ik ging lopen om minder boos te worden en nadat ik de eerste tien kilometer alleen maar bozer werd (en bijna begon te denken: als het van lopen alleen maar erger wordt, dan zal het wel gerechtvaardigd zijn) kwam het dan toch: het bedaren. Daarin (lieve nichtjes…) schuilt een voordeel van ouder worden: dat je steeds beter leert hoe je jezelf tot kalmte kan manen, dingen de baas kan worden, zonder dat je daar iets of iemand mee lastig hoeft te vallen.
  • Samen naar een bruiloft. Ik weet niet wanneer ik precies zo’n dweil ben geworden, maar daar werd ik me toch buitensporig blij van. Hele dag op een wolk, mijn vriendin zo mooi, toespraken van ontroerde ouders, cactus-vijg-thee en rode wijn, zoveel liefde in de lucht dat ik (op maandagavond) nog steeds niet met mijn voeten bij de grond kan.
  • Speech tussen gang 1 en 2. Ik kon het gesprek tijdens de eerste gang al niet meer volgen – had klamme handen van de zinnen die ik voor de bruid had geschreven en die zo (nu ik dit schrijf voel ik de spanning weer) naar buiten zouden moeten. Hoopte zo dat ze het mooi zou vinden. Dat het gepast zou zijn. Dat het op haar over zou komen zoals ik het bedoelde. Terwijl ik voorlas, registreerde ik de stilte. Het was zo volkomen stil. Toen kwam ze in tranen en trouwjurk op me af gelopen, het leek vertraagd, als zwemmen, en verstopten we ons al knuffelend achter de gordijnen. Als memorabel dankwoord koos ze een niet nader te noemen scheldwoord. Ik suste met ‘ssst stop, niet huilen, of op z’n minst mooi huilen’. Pas later zag ik dat er ook onschuldige slachtoffers waren gevallen, in de vorm van tranende derden. De rest van de avond was anders, opener, mensen spraken anders met me, met minder tussenruimte. Dat vind ik mooi: dat taal dat kan. Dat je, als je iets blootgeeft, iets zachts terugkrijgt – zelfs van de grootste heren.
  • Wakker worden in een hotelbed. Samen douchen, ontbijten, de stad in, een nieuwe bril uitkiezen (de foto van hem met een bril op is zo sexy maar ik vrees dat ik niet word geacht die te delen) en gluhwein drinken. Voorproefje & -pret voor Parijs (taalvraag: kun je in plaats van die laatste ‘voor’ dan ook een streepje zetten?).
  • Hoe langer deze verliefdheid voortduurt, hoe leuker ik het vind dat het nog altijd lijkt alsof ie pas een week geleden is begonnen. Mensen op straat roepen er dingen over, zelfs enkel op ons achteraanzicht gebaseerd. Om redenen die ik nog niet helemaal doorgrond, maakt het me zo trots – hij en ik.
  • Zondags eten op zondag.
  • Maandagse acclimatisatieprocessen op maandag. (Sorry M., toch nog een moeilijk woord…)