Dokter Ralph

‘Doet dit pijn?’
‘Nee.’
‘En dit?’
‘Nee.’
‘Dit dan?’
‘Nee.’

‘Alleen een beetje hoofdpijn,’ zei het meisje dat zojuist over de motorkap en het dak van een te hard rijdende auto was gevlogen, waarna ze meters en wat wel minuten leken moest wachten tot ze op de stenen landde. De dokters keken haar meewarig aan en buitelden om de beurt in herhaling met steeds dezelfde vragen: ‘Je bent over de auto heen gevlogen? En er is geen ambulance gebeld?’

Nee. Ze stond op, bekeek haar geschaafde handen en zocht naar haar fiets en waar die was terechtgekomen. De jongen die haar aanreed dacht dat ze misschien wel dood zou zijn. Hij had tranen in zijn ogen. Het was zo’n klap. En overal was glas. Maar ze stond op en ze maakte vermoedelijk dat geluidje dat ze altijd maakt als ze geschrokken is en tegelijk wil laten merken dat alles in orde is. Dat snikje, lachje, allerliefste geluidje.

Er was een huilend zusje aan de telefoon en ik sprong binnen 1 minuut in de auto (al was het voor het verhaal misschien beter geweest als ik mijn hardloopschoenen had aangetrokken). Als ik had geweten dat we de hele middag in het ziekenhuis zouden doorbrengen, had ik misschien nog snel een rol koekjes in mijn mouw gestopt. En als ik had geweten hoe aantrekkelijk de dokter was die 37 keer in en uit ons kamertje zou lopen die middag, had ik misschien eerst model in mijn nieuwe kapsel gebracht. Al moet ik toegeven dat hij (om een of andere reden) uitsluitend oog had voor mijn zusje.

Toen een dokter vroeg of ik een vriendin was, of familie misschien, betrapte ik me op trots toen ik kon zeggen: zus. Zus van dat stoere, o zo andere meisje, zo geheel tegenovergesteld en zoveel minder mietje dan ik. De student met het tostiapparaat naast de televisie, de kleine rebel van wie iedereen weet dat het met haar wel goed zal komen.

Noem het geluk of ervaringsdeskundig: dat zusje van mij vliegt wel vaker door de lucht. We wachtten in kamers en we maakten honderd grapjes, buikpijn van het lachen schudde de schrik uit ons lijf. Maar het ziekenhuis rook naar een echt ziekenhuis, en voor een film waren er dokters te veel. Ik dacht alleen maar: niet aan denken niet aan denken. Gelukkig is ze nog helemaal heel.