Otters

Het allereerste wat we deelden was misschien wel dit: een uitzinnige angst voor otters. Ze staken hun snuiten tussen de planken van de brug, we gilden dat ze onze broekspijpen in wilden glippen. Vlogen naar de overkant en lieten ons daar lachend tegen elkaar aan vallen, slungelige armen die maar heel even durfden.

Later zeiden we: weet je nog van die otters die opeens – en we glimlachten elkaar gerust. Je was zoveel lawaai verloren, maakte niet alleen je hapjes klein. Ik wilde je schouders dubbelvouwen, je onder mijn jas dragen. Iets anders dan vriendinnen zijn. Je redde een vlinder die allang dood was en ik maakte een foto van hoe hij in het kommetje van je handen lag. Je maakte een foto veel te dichtbij maar beweerde dat ik het mooiste meisje van de wereld was.

Ik mis de manier waarop jij kon schrikken. Je hield het meest van de dieren die onverwachte bewegingen maakten. Nu lijkt het net alsof we alles al wisten. Dat ik op een dag naar de otters zou zoeken, uren op de brug zou blijven staan. Dat ik degene was die later op zoek zou gaan naar de foto’s. In plaats daarvan mijn brieven vond, waarin je sommige zinnen had overgeschreven omdat je tranen vlekken hadden gemaakt en o wee als mijn woorden zouden verdwijnen – o wee.